Het brein heeft zijn voorkeuren

Kunst is een kwestie van smaak? Niet helemaal. Een kunstwerk activeert dezelfde hersenstructuren als een aantrekkelijk gezicht. En de kunstenaar schept op neurobiologische basis.

Kunstenaars hebben veel gemeen met hen die kunst bekijken. Het gevoel voor schoonheid is diep geworteld in de biologie, zo leert ons de neuro-esthetica – een vrij nieuw onderzoeksgebied dat zich bezighoudt met de hersenmechanismen aan de basis van zowel de productie als de beleving van kunst.

Zo is gebleken dat patiënten in een psychiatrisch ziekenhuis minder vaak om medicatie tegen angst en onrust vroegen als er een foto van een savanne aan de muur hing, dan wanneer het schilderij ‘Velden’ van Van Gogh of het abstracte werk ‘Convergence’ van Jackson Pollock aan de muur hing. De Amerikaanse kunstfilosoof Dennis Dutton schrijft in zijn boek The Art Instinct (2009) dat het geen toeval is dat juist de savanne over de gehele wereld het meest geprefereerde landschap blijkt te zijn: daar vond onze menswording plaats. Dutton ziet de savanne als een landschap dat talloze generaties evolutionair voordeel heeft gebracht, en dus als een erfenis vanuit het Pleistoceen.

Natuurlijk zijn de ervaring en de productie van schoonheid subjectief. Maar hersenonderzoek laat ook een objectieve basis zien. Kunst is goed te vergelijken met taal of religie: er zijn universele kenmerken, maar er wordt een lokale invulling gegeven.

Kunst blijkt dezelfde hersenstructuren te activeren als een aantrekkelijk gezicht. En het beoordelen van aantrekkelijkheid lijkt voor een belangrijk deel aangeboren.

Het brein heeft dus zijn voorkeuren, en nu pas wordt ontdekt dat kunstenaars sinds mensenheugenis technieken gebruiken die functioneren volgens dezelfde principes. Net als de hersenen isoleren en versterken kunstenaars vaak afzonderlijke componenten van visuele gegevens. De neuroloog Vilayanur Ramachandran heeft een aantal universele esthetische principes beschreven die een belangrijke rol spelen in de visuele kunst, maar ook bij het ontwerpen van mode en in de reclame. Ze hebben hun basis in de evolutie en in hersenmechanismen. Zo wordt een essentie wel eens overdreven om een aangenaam of een storend effect te bewerkstelligen. Dit zie je ook in de kunst, bijvoorbeeld in de weergave van vrouwelijke kenmerken als grote borsten, heupen en billen en een extreem smalle taille. Zulke extreem vrouwelijke vormen duiken al op in de oudste Venusbeeldjes van zo’n 25.000 jaar geleden. Lucian Freud schilderde wanstaltig dikke vrouwen. Alberto Giacometti maakte juist extreem dunne en lange beelden. De belangstelling voor overdreven vormen heeft een neurobiologische basis. Als je een dier leert dat een cirkel staat voor voedsel en een driehoek voor niks, dan zal hij vervolgens een grote cirkel prefereren boven een kleinere cirkel, want de grote cirkel betekent nog méér voedsel.

Een ander principe is het kunnen groeperen en verbinden van fragmenten, punten, vormen en kleuren tot een coherent geheel. Je hebt even tijd nodig om in Salvador Dalí’s ‘Paranoia’ te zien dat de menselijke figuurtjes samen een gezicht vormen. Maar ontdek je het, dan krijg je een plezierige sensatie; het is of je net een probleem hebt opgelost. Via hetzelfde mechanisme ontdek je de aanwezigheid van een roofdier, voedsel of vijand in de camouflerende omgeving van het oerwoud.

Bij het kijken naar kunst hebben kleuren een sterk effect op ons. We worden opgewonden van rood. De rode zonsondergang bracht zelfs een paniekaanval bij Edvard Munch teweeg toen hij in een emotioneel instabiele periode met vrienden langs het Oslo-fjord liep – hij beeldde deze ervaring uit in zijn schilderij ‘De Schreeuw’. Het kunnen onderscheiden van rode, rijpe vruchten tegen de groene achtergrond van het oerwoud, onder een blauwe lucht, heeft een groot evolutionair voordeel gehad, en de kleur rood stimuleert ons nog steeds.

Er zijn mensen die na een hersenbeschadiging wel kleuren kunnen zien, maar ze niet langer herkennen. Of ze kunnen geen vormen meer zien, maar wel kleuren. De neuroloog Oliver Sacks heeft in zijn boek An Anthropologist on Mars een kunstenaar beschreven die aan een auto-ongeluk een beschadiging overhield van het hersenschorsgebied waarmee we kleuren zien. Hij was kleurenblind geworden en ging zwartwit schilderen.

Er zijn mensen die bij het horen van muziek kleuren zien, een verschijnsel dat synesthesie heet. Normaal speelt zich in de babytijd in het brein een proces af waarbij hersenschorsgebiedjes zich specialiseren in bepaalde taken. Bestaande verbindingen tussen allerlei gebieden worden dan gesnoeid. Maar bij sommige mensen blijven die connecties bestaan. Bij Daniel Tammet bijvoorbeeld. Hij heeft het syndroom van Asperger, een vorm van autisme die gepaard gaat met hoge intelligentie. Bovendien is hij een savant: hij bezit ongekende reken- en taaltalenten. Hij ziet woensdag, zijn geboortedag, als blauw, vandaar de titel van zijn boek: Op een blauwe dag geboren. Toen ik een paar dagen met hem optrok vanwege het uitkomen van de Nederlandse vertaling van zijn boek, vertelde Tammet mij trots dat hij tegenwoordig ook schildert. „Wat schilder je dan”, vroeg ik. „Het getal pi”, zei hij. Getallenreeksen als de decimalen van het getal pi ziet hij als berglandschappen van reeksen wisselend gekleurde getallen.

Ook de ziekte van Alzheimer kan effect hebben op het maken van kunst. Willem de Kooning schilderde zijn beroemdste werken tijdens zijn dementeringsproces. Tussen 1970 en 1980 was hij verward en depressief. Hij schilderde niet meer. Maar in 1980 stopte hij met de alcohol. Hij at beter en werd voor zijn schildklierziekte en vitaminetekort behandeld. Daarna verraste hij iedereen door niet alleen weer te gaan schilderen, maar zijn beste werk te maken, ook al takelde hij mentaal verder af.

Het farmaceutisch concern Ciba heeft een boek uitgegeven met tekeningen van psychotische kunstenaars ‘voor en na’ de behandeling. Het bedrijf wilde laten zien hoe normaal hun tekeningen waren geworden onder invloed van een geneesmiddel van het concern. Maar kunstkenners verkozen de tekeningen die ze tijdens een psychose hadden gemaakt, vóór de medicatie. Geef een kunstenaar librium of anti-psychotica en je onderdrukt zijn creativiteit; iets bijzonders zul je niet meer zien.

Hoe kan het nu dat sommige mensen zo creatief zijn? Creativiteit is het vermogen open te staan voor een nieuwe invalshoek, voor het herkennen van nieuwe elementen in bestaand materiaal. We worden voortdurend blootgesteld aan een enorme hoeveelheid prikkels die via onze zintuigen uit de buitenwereld binnenkomen in de centrale hersenstructuur, de thalamus. Deze filtert de prikkels – volgens een principe dat ‘cognitieve inhibitie’ wordt genoemd – waarna een hanteerbare hoeveelheid informatie naar de hersenschors doorgestuurd wordt. Daar worden we ons van deze prikkels bewust.

Een onderliggend mechanisme voor extreme creativiteit zou een verminderde cognitieve inhibitie zijn. Daardoor worden er meer prikkels uit de buitenwereld binnengelaten in het bewustzijn. Ook wordt men zich dan meer bewust van wat zich in zijn innerlijke wereld afspeelt. Hierdoor ontstaan nieuwe ideeën, die weer kunnen leiden tot het maken van unieke kunstwerken.

Er is een verband tussen buitengewone creativiteit en psychiatrische stoornissen. Zeer creatieve mensen zijn vaak excentriek. Zij zijn gevoeliger voor magisch denken, geloven vaker in telepathie, in dromen die de toekomst voorspellen en herinneringen uit vroegere levens.

Concluderend: wij zijn ons brein, zelfs als het kunst betreft.

Bovenstaande is een fragment uit de Mondriaanlezing die Dick Swaab gisteren uitsprak in het Haags Gemeentemuseum. De tweejaarlijkse lezing staat in het teken van de culturele betekenis van kleur. Ook werd de Sikkensprijs 2012 uitgereikt, aan de Britse beeldend kunstenaar Bridget Reilly. Haags Gemeentemuseum, tot 6 januari 2013: muurtekening van Reilly.