Opinie

Een stoere bink, het vuile werk en Barack Obama

De één heeft beroepshalve jarenlang mensen doodgeschoten, de ander kreeg de Nobelprijs voor de Vrede. Matt Bissonnette en Barack Obama zijn nogal verschillende types. Maar ze zijn meer aan elkaar verwant dan je op het eerste gezicht zou zeggen.

Bissonnette is een van de Navy SEALs die vorig jaar in Pakistan de operatie uitvoerden waarbij Osama bin Laden werd gedood. Onder het pseudoniem Mark Owen schreef hij er een boek over, No Easy Day.

Het zijn de memoires van een hele stoere bink. Bissonnette vertelt over zijn jeugd in het ruige Alaska (waar hij als kind al rondliep met een vuurwapen), over zijn zware militaire opleiding en over de gevaarlijke commandomissies waaraan hij deelnam in Irak en Afghanistan.

Maar dat is allemaal slechts de aanloop. Zijn boek gaat vooral over de voorbereiding op, en uitvoering van de operatie Speer van Neptunus, de nachtelijke inval in huize Bin Laden. Bissonnette kwam als tweede man de trap op naar de verdieping waar de Al-Qaeda-leider zijn hoofd om de deur van zijn slaapkamer stak. „Ik hoorde gedempte schoten. BOP. BOP”, schrijft Bissonnette zakelijk.

De SEAL die een paar treden voor hem liep had geschoten. Bin Laden was in het hoofd geraakt. Hij lag op de grond maar bewoog nog, dus voor de zekerheid schoten Bissonnette en zijn maat nog een paar kogels in zijn borst. Zo doe je dat.

Bin Laden was wel een bijzonder doelwit, maar verder was het een ‘kill or capture’ operatie zoals de SEALs die talloze keren eerder hadden uitgevoerd. Dit soort acties, in feite liquidaties, horen tegenwoordig bij het standaardrepertoire van de terrorismebestrijding van de regering-Obama.

Een paar uur later verscheen de president voor de camera’s om de wereld te vertellen wat „een klein team Amerikanen” had gedaan. „Na een vuurgevecht doodden ze Osama bin Laden.” Alleen strikt genomen was dat juist, want een vuurgevecht had zich alleen op de begane grond afgespeeld met een van de koeriers van Bin Laden. De terroristenleider zélf bleek onbewapend en had alleen twee niet-geladen vuurwapens in de buurt, ontdekte Bissonnette.

Maar bij die presidentiële verdraaiing van de feiten staat hij verder niet stil. Waarom zou hij ook? Bin Laden was dood en tussen de regels blijkt dat nooit de bedoeling was dat hij levend werd meegenomen.

De mannen van het commandoteam zijn duidelijk geen aanhangers van de president, je krijgt zelfs de indruk dat ze nogal de pest aan hem hebben. „We hebben zojuist gezorgd dat hij herkozen wordt”, schamperen ze na zijn tv-toespraak. Maar Bissonnette beseft: wij zijn slechts stukken gereedschap in zijn gereedschapskist.

En daar heeft hij groot gelijk in. Een doorsnee lezer zal zich al snel afvragen wat voor mens met zoveel enthousiasme keer op keer dit soort bloedige acties kan uitvoeren. Maar relevanter is de vraag naar de president die er de opdracht toe geeft.

The New York Times verbaasde zich er in een recensie over dat Bissonnette geen moment stil staat bij de gruwelijke aard van zijn werk, dat hij nergens twijfel toont of het wel deugt wat hij doet. Verder hekelt de recensent zijn geklaag over de trage besluitvorming van Obama. Maar ja, de Navy SEAL is ook maar „ een machine des doods - a killing machine”.

Dat is een vreemd verwijt. Aan een commando die door twijfel verteerd wordt heeft niemand iets. Vragen en twijfels horen in de eerste plaats de president te kwellen die anderen opdraagt dit soort vuil werk op te knappen. De president mag een heel ander soort mens lijken dan deze SEALs, maar hij kan niet pronken met de dood van Bin Laden en zwijgen over de dubieuze kanten van hun dagelijks werk. Al hún daden zijn ook zijn daden.