De polder is terug

IllustratieAnk Swinkels

Bij het schrijven van deze tekst waren de formatiebesprekingen bijna rond. Daarmee komt hopelijk ook een eind aan een journalistiek spel dat mij nogal treurig voorkomt: het armoedige gehengel op het Binnenhof naar nieuws over de formatiebesprekingen. „Meneer Rutte, meneer Samsom, is er nog nieuws?’’

Nee, dat was er nooit, want na slechte ervaringen in het verleden is afgesproken dat er tijdens de onderhandelingen geen mededelingen worden gedaan – niet over de inhoud en niet over het proces.

De bekende radiostilte.

Een kind dat elke dag kort voor het eten zou vragen: „Mag ik chips?”, zou je op een gegeven moment negeren of afbekken, maar dat kunnen politici niet maken. En dus zagen we enerzijds de verslaggever die meende dat hij het aan de luisteraars of kijkers verplicht was om telkens dezelfde vraag te stellen. En anderzijds de politicus die waarschijnlijk dacht: „Mijn god, daar heb je ze weer”, maar die vervolgens vriendelijk glimlachend op zoek ging naar een iets andere verpakking van dezelfde boodschap.

„Was het een goede dag, meneer Rutte?” „Dat is een vraag naar het proces en daar doen wij, zoals bekend, geen mededelingen over.”

„Zijn jullie er bijna uit, meneer Samsom?” „Zodra de besprekingen zijn afgerond laten we dat weten, maar tot die tijd heerst er, zoals jullie weten, de bekende radiostilte.”

Het meest verbazingwekkende vind ik dat radio en tv dergelijke nietszeggendheden blijven uitzenden. Informeer mij, luisteraar of kijker, als er iets nieuws te melden is, maar bespaar me alsjeblieft items waar zendtijd wordt verspild aan variaties op de boodschap: nee, we weten niks, want ze houden zich aan de afgesproken stilte.

Die consequente radiostilte, die ik overigens heel redelijk en begrijpelijk vind, leidt tot curieuze vormen van koffiedikkijken. Zo heb ik de afgelopen twee maanden, bij gebrek aan echt nieuws over de formatiebesprekingen, deskundigen op het gebied van lichaamstaal aan het woord gehoord. Ze keken naar onderhandelaars die op een afstand samen buiten stonden te roken. Hoe stonden ze erbij? Keken ze elkaar aan? Werd er geglimlacht en waren er schouderklopjes?

En – belangrijkste vraag – wat betekende dat allemaal?

Nou is lichaamstaal erg belangrijk, maar je kijkt hier naar professionele onderhandelaars die elkaar glimlachend op de schouders blijven kloppen terwijl ze denken: na de rookpauze ga ik jou, als het even kan, in één keer de verkorting van de WW-duur, de beperkte verlaging van de hypotheekrenteaftrek en de versoepeling van het ontslagrecht door de strot duwen.

Een ander effect van radiostilte is dat iedere opmerking die ook maar íets over de inhoud van de akkoorden zou kunnen zeggen op een goudschaaltje wordt gewogen. VNO-NCW-voorzitter Wientjes eind vorige week, volgens de krantenkoppen: „De polder is terug.”

Dat klonk niet alleen omineus, het is ook taalkundig interessant. Eerst was er de polder, landschappelijk symbool van samenwerking, overleg en Hollands glorie. Toen het poldermodel voor politieke samenwerking door te geven, te nemen en soms te schipperen. Vervolgens werd er een werkwoord van gemaakt, polderen.

Met Wientjes waren we terug bij af, bij het grondwoord. Letterlijk zei hij: „We hebben eigenlijk alleen maar gesproken, los van een aantal details, over: hoe gaan we weer de polder herstellen?”

Opmerkelijk is dat polderen de laatste jaren veelal negatief is gebruikt, alsof samenwerken door overleg iets slaps zou zijn. In een dictatuur kom je een heel eind zonder overleg, maar iedere democratische samenleving functioneert in feite bij de gratie van overleg en afspraken.

Anders gezegd: sinds de Tweede Wereldoorlog is de polder hier nooit weggeweest.