Afscheid van een postraciale president voor de hele wereld

De eerste keer dat Barack Obama optrad in het Elysée, het Franse presidentiële paleis, was tijdens zijn verkiezingscampagne in 2008. Als groentje op het wereldtoneel deed hij Europa aan, zoals de Republikeinse kandidaat Mitt Romney deze zomer in Londen was voor de aanvang van de Olympische Spelen. Obama’s hoogtepunt toen was een rede voor een groot publiek in Berlijn.

Ik bezocht als correspondent in Parijs de persconferentie van Obama en zijn gastheer Nicolas Sarkozy, de Franse president. Sarkozy voelde zich in zijn element: als gearriveerde ‘staatsman’ gaf hij Obama tips die van pas konden komen als hij het tot president mocht schoppen. Sarkozy, die trots was op zijn band met George W. Bush, bleek nu min of meer de ontdekker van Obama: hij had hem al in zijn kamertje op Capitol Hill opgezocht toen Obama nog een onbekende senator was. Sarkozy was zijn gebruikelijke zelf. Hij wiebelde en hupte, schiep stiltes als hij een reactie van zijn journalistenpubliek verwachtte – liefst een lach of een bewonderende zucht. En zoals altijd legde hij zijn hand af en toe bezwerend – en dominant – op de onderarm van zijn buurman.

Maar bij Obama werkte het niet. De presidentskandidaat was – letterlijk – ongrijpbaar. Als Sarkozy naar zijn onderarm tastte, stond Obama – geoefend basketballer – al met zijn arm uitgestrekt klaar om die vriendschappelijk om Sarkozy’s schouder te slaan. De beweeglijkheid van Sarkozy onderstreepte juist de rust en zelfcontrole van Obama, die ook nog eens verklapte dat hij Sarkozy inderdaad om raad had gevraagd: Nicolas had zoveel energie – wat át hij eigenlijk? Of er een retorische stilte volgde herinner ik me niet, wel dat er gelachen werd en dat de verhoudingen duidelijk waren.

Amerikaanse presidenten behoren tot de selecte groep spelers die voor correspondenten in de hele wereld interessant zijn, en dat zal voor een president Romney evenzeer gelden als voor Obama. Maar terugkijkend naar 2008 valt wel een verschil op met nu, in de aanloop naar de verkiezingen op 6 november. Naar Obama werd uitgezien als een nieuw type president: niet alleen leider van ’s werelds machtigste land, maar ook een rolmodel voor mensen van overal. Hij wilde een ‘postraciale’ president zijn, en richtte zich, ook na zijn verkiezing, aanvankelijk rechtstreeks tot de mondiale publieke opinie: hij sprak ’s werelds moslims toe vanuit Kairo, en de Afrikanen vanuit Accra, Ghana. Thomas Erdbrink herinnert zich in deze De Wereld dat Iraniërs in 2009 hoopten dat Obama behalve Keniaan en Indonesiër óók een beetje Iraniër zou zijn. Koert Lindijer constateert dat Obama het in Afrika nooit helemaal verkeerd kan doen – al was hij er al met al weinig actief. Guus Valk zag als correspondent in het Midden-Oosten hoe Obama hoge verwachtingen wekte bij zijn aantreden in 2009, en maakt nu als correspondent in Washington de balans op (pagina 4-5). Daarin speelt Obama’s soft power als postraciale ‘wereldpresident’ geen rol meer. Nu gaat de race tussen twee gewone kandidaten – die de ‘harde’ macht van de VS veilig moeten stellen.