Zes mythes over uw zorgverzekering

De komende weken maken zorgverzekeraars de tarieven bekend waartegen zij komend jaar hun ziektekostenpolis aanbieden. Hoe vrij is deze markt eigenlijk waar jaarlijks 45 miljard euro in omgaat? De zes grootste mythes over marktwerking.

Het is weer zover. Menzis (2,1 miljoen verzekerden) trapte deze week als eerste van de grote vier af. De zorgverzekeraars maken hun tarieven voor het komende jaar bekend en verzekerden hebben minimaal zes weken de tijd om te kiezen bij wie zij de basispolis, de verplichte ziektekostenverzekering die voor iedereen hetzelfde is, gaan afnemen.

Het is voor de zevende keer dat burgers vóór het eind van dit jaar die keuze moeten maken. Sinds het ziekenfonds in 2006 verdween is de marktwerking in de zorg sterk uitgebreid. Dit jaar zullen naar schatting 1 miljoen mensen besluiten naar een andere verzekeraar over te stappen.

Wat zijn de belangrijkste misverstanden over deze jaarlijkse ‘vrije markt’?

1 Er is sprake van gezonde concurrentie tussen zorgverzekeraars

Schijn bedriegt. Ja, de winkelstraat hangt vol met uithangborden van alle soorten en maten verzekeraars. Maar achter die uiteenlopende puien gaat dikwijls één en dezelfde verzekeraar schuil. De christelijke verzekeraar Pro Life die abortus niet vergoedt of de laagdrempelige prijsvechter FBTO? Allemaal onderdeel van Achmea, met 5,5 miljoen klanten de grootste zorgverzekeraar van Nederland. De markt van zorgverzekeringen is in handen van slechts vier partijen. Die verkopen gezamenlijk meer dan 90 procent van de polissen in Nederland.

In zo’n geval kan er nog altijd sprake zijn van stevige competitie, maar de situatie is ver verwijderd van het ideaalbeeld van oneindig veel vragers en oneindig veel aanbieders.

Op regionaal niveau is de markt van zorgverzekeraars nog eenzijdiger verdeeld. Veel verzekerden zijn sinds de introductie van het nieuwe stelsel in 2006 gewoon bij hun oude vertrouwde regionale ‘ziekenfonds’ gebleven. Het betekent dat in alle provincies van Nederland, niet één uitgezonderd, de marktaandelen van verzekeraars zo groot zijn dat ze naar algemeen erkende mededingingsnormen een bedreiging vormen voor de concurrentie. Friesland is de provincie met de meest eenzijdige verdeling van zorgverzekeraars. Sinds de overname van De Friesland door marktleider Achmea is vier op de vijf Friezen klant bij één en dezelfde verzekeraar.

Het is moeilijk voor nieuwkomers om een zorgverzekeraar te beginnen. De Nederlandse overheid kan daar niet zo veel aan doen. Europese regels zijn streng voor een zorgverzekeraar. Dat vertaalt zich in allerlei financiële voorwaarden die toezichthouder De Nederlandsche Bank stelt: een zorgverzekeraar – ook een debutant – dient over stevige reserves te beschikken voordat zij polissen mag gaan verkopen.

2 Zorgverzekeraars zijn op winst gerichte ondernemingen

Integendeel. Alle grote verzekeraars zijn niet op winst gerichte instellingen. Dat heeft met het verleden te maken: veel zorgverzekeraars zijn voortgekomen uit ziekenfondsen zoals Zilveren Kruis (Achmea) of Agis (ook Achmea). Voormalige ziekenfondsen mochten hun opgebouwde reserves als commerciële verzekeraar in 2005 alleen behouden zolang zij tien jaar lang, dus tot 2016, statutair vastlegden dat zij geen winstoogmerk hebben.

Het past ook bij de branche: zorgverzekeraars opereren in het grijze gebied van publiek en privaat geld. Vrijwel alle inkomsten van zorgverzekeraars bestaan uit de premies die Nederlandse burgers afdragen. Die premies moeten zij verplicht betalen: via hun werkgever en rechtstreeks via de premies op hun verzekeringspolissen. Jaarlijks stroomt er zo een slordige 45 miljard euro naar de zorgverzekeraars die daar vervolgens de ziektekosten in Nederland mee vergoeden.

Dikwijls zijn de zorgverzekeraars wel naamloze vennootschappen maar uitdrukkelijk zonder winstoogmerk. Dat geldt bijvoorbeeld voor Menzis. De zorgverzekeraars van Achmea zijn onderdeel van Vereniging Achmea. Die streeft ernaar maximaal 1 eurocent winst per euro premie te boeken. VGZ, de nummer twee in de markt, is een coöperatie met leden. En CZ, de nummer drie van de zorgverzekeraars, is een onderlinge waarborgmaatschappij.

3 De consument is kritisch

Nee, dat is hij niet. Maar eerlijk gezegd kan hij dat vaak ook moeilijk zijn. Allereerst heeft slechts minder dan 1 procent van de verzekerden een aanvullende zorgverzekering afgesloten bij een andere verzekeraar dan waar hij zijn basispolis afneemt. Dit is vrij logisch, want er is sprake van koppelverkoop. Zorgverzekeraars ontmoedigen dat je bij de een de basispolis en bij de ander een aanvullende verzekering verzekering inkoopt.

Daarnaast heeft het voor consumenten ook weinig nut kritisch te zijn als via collectieve contracten tot 10 procent korting op de premie wordt geboden. Het betekent dat twee op de drie Nederlanders zijn polis in collectief verband inkoopt. Dat gebeurt niet alleen via de werkgever, maar ook via de sociale dienst, sportclub, vakbond of consumentenbond. Je zou kunnen zeggen dat zo het kritisch vermogen van de consument vakkundig is uitgeschakeld. Door de collectieve korting is het voor veel verzekerden op voorhand niet voordelig te wisselen van verzekeraar. Zorgverzekeraars hebben met deze tariefstructuur de markt effectief verdeeld en onderlinge concurrentie verminderd. Dat er jaarlijks 1 miljoen mensen van verzekeraar wisselen klinkt misschien veel, maar is slechts 6 procent van de markt. Het betekent dat 94 procent van de verzekerden blijft zitten waar die zit.

Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit bespaarden overstappers vorig jaar gemiddeld 40 euro per jaar.

4 De consument is rationeel

Consumenten tonen bij ziektekostenverzekeringen weinig rationeel gedrag. Zou je je niet alleen moeten verzekeren tegen zaken die je financieel niet kunt dragen? Omdat de dekkingen in veel polissen – met name de aanvullende verzekeringen – gelimiteerd zijn, heeft menig aanvullende verzekering economisch gezien niet veel nut. Daarnaast kiezen veel consumenten voor het standaard eigen risico (dit jaar 220 euro, komend jaar 350 euro), terwijl het logischer zou zijn dat zij bewust voor meer eigen risico zouden kiezen met een lagere premie, omdat zij bijvoorbeeld jaarlijkse zorgkosten van 500 euro zouden kunnen dragen.

Bij al die keuzemogelijkheden blijkt de consument zich vaak als een gewoontedier te gedragen. Hij is dikwijls niet bereid zich in de materie te verdiepen als het te ingewikkeld wordt. Dat geldt zeker voor alle soorten en maten aanvullende polissen met uiteenlopende dekkingen. Gebrek aan transparantie frustreert gezonde competitie. Terwijl beleidsmakers en economen in hun modellen uitgaan van een consument die alle voors en tegens afweegt, blijkt de praktijk weerbarstiger als het te complex wordt. Dat slaat de basis weg onder een goed functionerende markt.

5 Een dominante verzekeraar in de regio is geen probleem

De kartelautoriteiten vinden regionale dominantie geen probleem. Zij kijken alleen op landelijk niveau of de markt gezonde verhoudingen kent. Op zich begrijpelijk als je ziet dat consumenten de komende weken met één muisklik naar de concurrent kunnen overstappen. Toch kan die regionale dominantie wel degelijk grote gevolgen hebben: met name voor de plaatselijke ziekenhuizen. Zij kunnen hun verzekeraar niet uitkiezen, daar worden ze mee geconfronteerd. De ‘marktwerking’ in de zorg verloopt immers over twee belangrijke schijven: verzekeraars dingen naar de gunst van de consument en zorginstellingen dingen vervolgens naar de gunst van de verzekeraar. In Friesland hebben de ziekenhuizen bij de onderhandelingen over contracten en prijzen eigenlijk maar met één zorgverzekeraar te maken. Zulke ongelijke verhoudingen brengen risico’s met zich mee.

6 Zorgverzekeraars lopen binnen

Geenszins. Dat het moeilijk is een zorgverzekeraar te starten is evident, maar het is ook opvallend dat buitenlandse zorgverzekeraars niet de Nederlandse markt overspoelen. Niets staat hun in de weg. Worden zij afgeschrikt door de lage rendementen? Zorgverzekeraars maken in vergelijking met andere verzekeraars bescheiden winsten. De winstmarges (winst op omzet) zijn met gemiddeld 2 à 3 procent flinterdun. VGZ, de nummer twee, maakte vorig jaar 27 miljoen winst op 10 miljard omzet, ofwel een kwart cent winst op iedere euro premie.

Die schamele winsten zijn hoofdzakelijk afkomstig van de aanvullende verzekeringen. Nederlandse zorgverzekeraars verdienen vrijwel niets op de basispolis, blijkt uit gegevens van toezichthouder NZa.

Wat de managers van zorgverzekeraars verdienen is daarentegen een ander verhaal. Het vierkoppige bestuur van coöperatie VGZ verdeelde in 2011 1,7 miljoen, ofwel gemiddeld dik vier ton de man. De divisiedirecteur Zorg van Achmea verdiende vorig jaar 512.962 euro. Bij de onderlinge waarborgmaatschappij CZ ging er vorig jaar bijna acht ton naar de tweehoofdige leiding. Voorzitter Roger van Boxtel van Menzis, die eveneens in de senaat zit voor D66, kreeg vorig jaar 391.000 euro.