Wielerjournalisten sprinten naar de volgende deadline - zonder epo

Wat heeft de journalistiek eigenlijk wél zien aankomen?

Luid klonken ooit verwijten dat ‘de media’ Pim Fortuyn niet hadden zien aankomen. De kredietcrisis heette het demasqué van de economische journalistiek, die halleluja roepend in het neoliberale bootje was gestapt. En waarom heeft geen persmuskiet door de europropaganda geprikt?

Nu is de wielerjournalistiek aan de beurt voor een pak slaag.

En net als bij die eerdere golven van mediakritiek lijkt hier een zekere ‘sociale hypochondrie’ mee te spelen, om een uitdrukking te gebruiken van de dwarse Rotterdamse socioloog Willem Schinkel – er is van alles mis met ons en de media hadden het kunnen weten! – naast het voordeel van wijsheid achteraf.

Want inderdaad, Armstrong werd op handen gedragen door de pers, maar er waren kranten en bladen, de Franse voorop, die al jaren beweerden dat hij niet zuiver op de graat was. Alleen, spijkerhard bewijs hadden ook zij niet, en de internationale wielerbond UCI hield het Texaanse mirakel uit de wind.

Hoe deed NRC Handelsblad het? De krant schreef de afgelopen jaren veel, heel veel over doping in de wielersport, vooral sinds de beruchte ‘dopingtour’ van 1998. Dat het gebruik van epo en andere verboden middelen wijdverbreid was onder wielrenners, daar hoefde geen lezer aan te twijfelen.

Maar Lance Armstrong?

Zaterdag bracht de krant een ontluisterend interview met de Britse journalist David Walsh, die Armstrong jarenlang hinderlijk volgde met vragen over de beschuldigingen aan diens adres, en die nu zijn gelijk haalt (De ‘slechtste journalist ter wereld’ krijgt alsnog gelijk, 21 oktober). In het interview geeft deze ware luis in de pels pijnlijke voorbeelden hoe collega’s in de sportjournalistiek hem belachelijk maakten en uitstootten.

Over Armstrong vond ik in het archief van de krant vanaf 1999 vooral artikelen met een bewonderende onder- of boventoon. De beschuldigingen van doping worden wel genoteerd, en in de loop der jaren steeds uitvoeriger – maar de krant blijft sceptisch. Uit de mond van zijn moeder Linda noteert de krant: „Waarom wordt alles wat Lance doet zo in twijfel getrokken? Maar ik heb begrepen dat het de manier is van de Fransen om hun jaloezie af te reageren” (Lance was geschenk van God, 26 juli 1999). En, van Armstrong zelf: „Doping? Nee dank u. Collega’s die epo gebruiken, noemt hij roekeloos.”

Redacteur Ward op den Brouw, die alle zeven Tourzeges van Armstrong versloeg, zegt: „Hij ontkende en weerlegde de beschuldigingen, soms met hulp van de UCI. Er was gewoon geen hard bewijs.”

Bovendien, het wonder van de herrezen kankerpatiënt sprak natuurlijk alom tot de verbeelding. „Je bent blij met zo’n jongen als favoriet”, aldus Op den Brouw, „omdat het een man is met een verhaal.” Wat ook hielp: bijna alles wat de vlotte Amerikaan zei, was ook fit to print, nooit weg voor journalisten in het Tourcircus.

Voor wielerjournalisten brengt die Tour een wekenlange opname met zich mee in een mobiele buitenlandse enclave, waarin ze van hot naar her trekken en van deadline naar deadline sprinten. Op den Brouw was „al blij als ik nog vijf minuten kon vinden om een dagboekje bij te houden, anders raak je volledig kwijt in welk hotel je waar en wanneer hebt gezeten”.

Ook buiten de gekte van de Tour valt vragen naar doping niet mee: toegang is in de sportwereld goud waard en ostracisme ligt op de loer.

Guus van Holland, oud-chef sport en inmiddels vertrokken bij de krant, beschrijft in een mooie ontboezeming op zijn website hoe hij na stukken van zijn hand over doping in het sportwereldje werd uitgescholden, afgeblaft, een hotelkamer afgetrapt en geweerd bij een congres (De fascinatie voor de ondoorgrondelijke wielersport, guusvanholland.com). David Walsh kreeg te maken met een legertje advocaten.

Toegang heeft dus ook een prijs.

Dat geldt in de sportjournalistiek des te sterker, omdat sport nationaal vermaak is, een bron van collectieve euforie en depressie. Sommige sportjournalisten op televisie zijn dan ook eerder feestelijke tafelheren die vooral meevibreren met de opwinding van de dag.

En sport is inmiddels ook een bedrijfstak waarin grote financiële belangen op het spel staan. Sporters en hun entourage kijken dan wel uit om meer op te lepelen dan het verplichte menu aan emoties die door hen heen gaan. Epke moet huilen, anders is het niet echt.

Maar toch. Er had wel meer kunnen gebeuren. Want waarom werd de eenzame dissident Walsh bijvoorbeeld niet eerder uitgebreid in de krant aan het woord gelaten? Alleen sportcolumnist Peter Winnen uitte een keer zijn bewondering voor de volhardende onderzoeker (Zondevrij, 25 juli 2001). De twee boeken die Walsh schreef, werden niet besproken. De krant heeft bij mijn weten ook nooit onderzoeksjournalisten ingezet om de onderste eposteen boven te halen.

Mogelijk heeft dat ook te maken met de positie van sportjournalistiek bij NRC Handelsblad, waar sport van oudsher toch wat lager op de agenda stond dan de NAVO.

Maar er speelt nog iets anders, wat net zo goed de hele journalistiek aangaat. Die blikt steeds meer vooruit, naar het nieuws van de volgende dag, en weinig terug. Dat komt voort uit de competitieve behoefte om actueel en urgent te zijn en de lezer bijtijds bij te praten.

Het gevolg van al die prognostiek is wel, dat onderwerpen snel ‘oud’ worden en niet meer worden onderzocht als de eerste ophef is overgedreven. Op naar nieuwe avonturen! „Elke dag wordt er een nieuw varken door het dorp gejaagd”, zoals een oud-hoofdredacteur van deze krant eens zei, over het korte geheugen in zijn vak.

Het zou mooi zijn als de zaak-Armstrong, waar de sportredactie nu op inzet, daar een kentering in is. Uitzoeken gebeurt nu eenmaal met terugwerkende kracht.