Weg met de remise, het avontuur lonkt

Hikaru Nakamura (24), zoon van een Japanse vader en een Amerikaanse moeder, is een exponent van het agressieve en creatieve schaken.

Hikaru Nakamura: „Ik ben de opwinding van het schaken een beetje kwijtgeraakt. Te veel gespeeld de laatste maanden. Ik moet mijn toernooien toch wat zorgvuldiger kiezen.”
Hikaru Nakamura: „Ik ben de opwinding van het schaken een beetje kwijtgeraakt. Te veel gespeeld de laatste maanden. Ik moet mijn toernooien toch wat zorgvuldiger kiezen.” Foto Sake Elzinga

Zijn rusteloosheid verdrijft Hikaru Nakamura veelvuldig van de speelstoel om in de belendende zaal een blik te werpen op de toernooiborden van lager gerangschikte schakers. Soms staat hij stil bij de tafel van Jan Timman, een afgezant van de oude school. Niet zijn stijl. De Amerikaan met Japanse roots is een exponent van het nieuwe schaken. Nakamura speelt agressief, creatief en vooral offensief. Weg met de remise, het avontuur lonkt.

Nakamura verbleef deze week in Hoogeveen, waar hij in het Raadhuis in losbandige stijl de vierkamp van het Univé-toernooi naar zijn hand zette. Met speels gemak, leek het. De werkelijkheid was evenwel weerbarstiger, wil Nakamura doen geloven. „Omdat ik de opwinding van het schaken een beetje ben kwijtgeraakt. Ik heb de laatste maanden moeite me te motiveren. Te veel gespeeld. Ik moet mijn toernooien toch wat zorgvuldiger kiezen.”

Typisch Nakamura, de wispelturige, die anderdaags zomaar een nieuwe ongrijpbare verklaring voor zijn goede spel kan geven. Met hem weet je het nooit, maar saai is hij zelden. Ligt aan zijn onstuimige karakter, maar ook aan zijn achtergrond. Nakamura is een kind van de Amerikaanse school, waar schakers leren vechten. Waar in Europa het prijzengeld keurig wordt verdeeld, krijgt in de Verenigde Staten alleen de toernooiwinnaar uitbetaald. In die cultuur wil je zo veel mogelijk remises vermijden. Winnen, dat loont.

Nakamura wil de schaakwereld opschudden. Weg met het conservatisme. Hij steunt hartstochtelijk de plannen van zijn landgenoot Andrew Paulson om schaken toegankelijker te maken voor het grote publiek. De zakenman die de rechten voor het wereldkampioenschap heeft gekocht, begon onlangs in Londen met de eerste van een serie experimentele grand-prixtoernooien als opmaat voor een WK-match in 2016.

De aanval op behoudzucht is ingezet, en daarmee op de internationale schaakfederatie FIDE. Nakamura kan niet wachten. „Miljoenen mensen schaken. Dan is het toch een schande dat schaken als sport niet populairder is. Waar zijn de grote sponsors? Het wordt tijd voor nieuwe machthebbers, mensen die creatief zijn en afstappen van de oude waarden. Schaken is in de negentiende eeuw blijven hangen.”

De clash tussen oud en nieuw ervoer Nakamura in 2011 toen hij zo’n negen maanden samenwerkte met Garry Kasparov, ’s werelds beste schaker ooit. Het klikte niet tussen de twee. Het avontuur versus de klassieke Russische stijl. Na verloop van tijd zei Nakamura het gevoel te hebben dat hij een gorilla op zijn rug mee torste. „Garry gelooft in studie, ik in de computer”, blikt Nakamura terug. „Ik heb alleen veel van zijn openingen geleerd. En dat je gepassioneerd moet zijn.”

Verder heeft de samenwerking Nakamura weinig gebracht. Hij zou ooit gezegd hebben dat Kasparov niet kan tippen aan zijn midden- en eindspel. Op de vraag of dat waar is, knijpt Nakamura in Hoogeveen zijn ogen toe en lacht hij besmuikt.

Nee, dan zijn generatiegenoot Magnus Carlsen, momenteel de schaker met de hoogste ELO-rating. Die acht hij hoger dan Kasparov. Nakamura fleurt op als hij over zijn Noorse geestverwant spreekt. Vilein: „Magnus is vooral tactisch beter dan al die kampioenen uit het verleden. Wij zijn opgegroeid met de computer en absorberen in een kort tijdsbestek veel informatie. Dat is een fundamenteel verschil met vroeger. Bovendien haat ik voorzichtige partijen met als opzet remise te spelen. Ik wil altijd winnen; elke partij moet ergens om gaan.”

Hoe vooruitstrevend ook, om als professional te kunnen slagen heeft Nakamura lichte concessies moeten doen. Voorheen verloor hij zich in snelschaken op internet. Met partijen van één minuut kende hij wereldwijd zijns gelijke niet. Nakamura mocht ook graag uitstapjes maken naar lucratieve pokertoernooien. Hij speelt nog wel, maar beperkt. „Ik vind pokeraars saai. Ze missen creativiteit. Pokeren is soms net zo eendimensionaal als het gokken op paarden. Nee, dan schakers. Die hebben verhalen en zijn veel interessanter.”

Saai vindt Nakamura ook St. Louis, zijn huidige woonplaats. Hij mist de dynamiek van New York, waar hij opgroeide. Maar in St. Louis woont wel Rex Sinquefield, een mecenas die een schaakacademie is begonnen, met Nakamura als een soort ambassadeur. Het platteland van Missouri mag vervelend zijn, Nakamura vond er wel de financiële onafhankelijkheid die hij zocht.

Ach, schaken blijft schaken. En zijn afwijkende aanpak is niet veranderd. Nakamura werkt tijdens toernooien nog altijd samen met secondant Kris Littlejohn, een schaker met beperkte kwaliteiten, niet eens van het meester-niveau. Maar Littlejohn is wel goed in statistieken, waarmee de zwakheden van tegenstanders ontleed kunnen worden. Met de informatie van Litteljohn als basis vertrouwt de eigenzinnige Nakamura vervolgens vooral op zichzelf.

Waarom niet? Zo is hij groot geworden. Nakamura heeft altijd hard moeten werken. In zijn jeugd, om gelijke tred te houden met zijn oudere broer Asuka. Zonder een spoortje afgunst: „Die had nog meer talent dan ik. Maar het verschil was dat Asuka stopte toen hij zijn plafond had bereikt. Ik ben er doorheen gebroken.”