Onderzoekers zaten bij aardschok niet fout

De celstraf voor de seismologen voor het niet voorspellen van de aardbeving lijkt op de poging van Kamerlid Leegte om het KNMI op te heffen wegens onderzoek dat niet bevalt, vindt Peter Paul Verbeek.

De aardschokken die drie jaar geleden op tragische wijze het Italiaanse l’Aquila troffen, hebben de afgelopen week een flinke naschok gehad – maar dit keer was het de bodem onder de wetenschap die trilde, en niet die onder l’Aquila. Zes wetenschappers die onvoldoende duidelijk hadden gemaakt in het publieke debat dat de aanvankelijk kleine aardschokken weleens voorboden van een grotere schok konden zijn, zijn door de rechter veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens nalatigheid.

Het tragische lot van deze wetenschappers, geofferd in naam van de waarheid, doet denken aan de discussie die Kamerlid Leegte (VVD) deze zomer aanzwengelde over het KNMI. Dit instituut, zo vindt Leegte, laat zich te eenzijdig leiden door de ‘klimaatalarmisten’ van het internationale klimaatpanel. Er bestaan ook andere klimaatmodellen, die een afvlakking in plaats van een stijging van de temperatuur laten zien. Omdat het KNMI deze modellen niet meeneemt, is het niet onafhankelijk genoeg, aldus Leegte. En dat zou reden moeten zijn om de overheidsfinanciering stop te zetten.

De Nederlandse discussie over het KNMI en de Italiaanse discussie over de falende aardwetenschappers vormen op een interessante manier elkaars spiegelbeeld. In Italië werden wetenschappers veroordeeld omdat zij met onvoldoende kracht de zuivere waarheid inbrachten in de politiek, ook als die waarheid politiek niet handig uitkomt. In Nederland veroordeelt de grootste politieke partij een wetenschappelijk instituut omdat het onderzoeksresultaten presenteert die politiek onwenselijk worden geacht.

Deze twee discussies laten indringend zien hoe de wetenschap momenteel vermorzeld wordt door twee sets van tegenstrijdige eisen die de samenleving eraan stelt. Enerzijds moeten wetenschappers functioneren als waarheidsmachines. De waarheid en niets dan de waarheid moeten zij leveren. Elke interne discussie moet daarbij binnenskamers gehouden worden, want anders spreken de wetenschappers niet met één mond of zouden er te weinig interne mechanismen zijn om goede van slechte wetenschappers te onderscheiden. Zuiverheid en onafhankelijkheid, dat is wat we van de wetenschap verwachten.

Anderzijds verwacht de politiek van wetenschappers juist dat ze verweven raken met de maatschappij. De roep om economische ‘valorisatie’ die de afgelopen jaren zelfs is vertaald in een ‘topsectorenbeleid’, dat wetenschap en bedrijfsleven nauw met elkaar verbindt, wil juist géén zuivere en onafhankelijke wetenschap. De agenda van de wetenschap moet niet bepaald worden door de nieuwsgierigheid van onderzoekers, maar door de maatschappij – en die bestaat tegenwoordig uit de kansen die bedrijven zien op de markt. Fundamentele wetenschap, gericht op kennis en inzicht, wordt vanuit deze nadruk op valorisatie in feite een hobby: het is prima als mensen die willen uitoefenen, maar dat hoeft niet op kosten van de samenleving te gebeuren.

Deze twee benaderingen gaan maar moeilijk samen. Volgens de radicale waarheidslogica die Italië hanteert, zouden de wetenschappers van het KNMI juist in staat moeten worden gesteld nog harder te waarschuwen voor mogelijke klimaatrampen. Als straks de zeespiegel echt flink gaat stijgen, zouden de Italiaanse rechters hun immers een aanmerkelijk zwaardere straf moeten opleggen dan de zogenaamd falende aardwetenschappers kregen. En volgens de valorisatielogica had het instituut van de Italiaanse wetenschappers onmiddellijk gesloten moeten worden als de aardschokken uitgebleven waren: deze wetenschappers laten immers hun oren te veel hangen naar alarmisten, bij wie de economie bepaald geen baat bij heeft.

Ziehier de paradoxale situatie waarin de wetenschap zich bevindt: het is kiezen tussen een gevangenisstraf wegens gebrek aan inbreng van de zuivere waarheid of opheffing vanwege te veel zuiverheid, die wetenschappers afhoudt van maatschappelijke relevantie of tot uitspraken brengt die politiek onwelkom zijn.

Aan deze paradox is alleen te ontsnappen als er een rijker beeld ontstaat van de relaties tussen wetenschap en samenleving. De keuze tussen wetenschap als bron van waarheidsproductie of van waardecreatie suggereert dat het primaat ofwel bij de zuivere, onafhankelijke wetenschap moet liggen, ofwel bij de economie en de maatschappij. Het gaat over de vraag op welke manier wetenschap en maatschappij met elkaar verbonden kunnen worden.

Net zo min als fact-free politics willen we wetenschap zonder waarden. Politiek moet zich onherroepelijk baseren op de feiten die op dat moment gelden en wetenschap wordt onherroepelijk beoefend in een maatschappelijke context. In plaats van tussen de wetenschap en de maatschappij te kiezen, moet de politiek zoeken naar manieren om de relatie tussen wetenschap en samenleving te laten floreren.

Dus moet de politiek meer begrip krijgen voor de waarde van wetenschap en zich niet beperken tot de radicaal economische visie van nu. Wetenschap stelt meer voor dan ‘kennis, kunde, kassa’.

Aan veel maatschappelijke uitdagingen zonder directe economische relevantie kan de wetenschap een belangrijke bijdrage leveren, van vergrijzing tot klimaatverandering en van geestelijk welzijn tot internationale conflicten. Bovendien spelen de wetenschappen een belangrijke rol in het duiden en behoeden van ons cultureel erfgoed. De kwaliteit van politieke discussies hangt mede af van de argumenten, kennis en inzichten van de wetenschappen. In het onderwijs speelt de onderzoekende en zelfkritische houding van de wetenschappen een centrale rol. Bovendien heeft de wetenschap een waarde in zichzelf – niet alle kennis en inzicht hoeft nuttig te zijn.

Het betekent ook dat de wetenschappen de roep om valorisatie serieus moeten nemen – niet om al het werk direct maatschappelijk nuttig te maken, maar wel om zich te realiseren dat dat voor het maatschappelijke draagvlak de wetenschap zichtbaar moet worden en vooral met enthousiasme moet worden uitgedragen. Zo ontstaat een evenwichtige relatie tussen wetenschap en samenleving.

Dan zouden de seismologen van de Commissie van Grote Risico’s in l’Aquila geen moeite hebben gehad om te stellen dat er geen absolute zekerheid is te ontlenen aan hun rapportage over aardbevingen. Een juridische veroordeling gaat echt te ver.

De rechterlijke macht kan van wetenschappers geen grotere heldhaftigheid verwachten dan van ieder ander.

Peter-Paul Verbeek is hoogleraar filosofie van mens en techniek aan de Universiteit Twente en voorzitter van De Jonge Akademie.