Nieuwe zondebok: de babyboomers

Vroeger stonden de babyboomers voor groei en de opbouwjaren. Nu krijgen ze de schuld van de crisis, in plaats van de ‘bonusgraaiers’, vindt Henri Beunders

Als mij werd gevraagd hoe oud ik was, zei ik altijd: „Ik ben van het Rampjaar” – 1953 dus. Vond ik grappig. Het riep, voor mijzelf dan, het beeld op van iets heroïsch, de strijd tegen het water, de hulpvaardigheid, het Deltaplan. De brommer, de Daf en de televisie kwamen daarna vanzelf. Heipalen overal. Iedereen had een toekomst te winnen. Met, dankzij de vondst van de aardgasbel in Slochteren in 1962, de ‘Ronde van Roolvink’: iedere werknemer er 10, ja, 15 procent meer salaris bij, in één jaar.

Dat waren nog eens tijden. Nu, een halve eeuw later, is het alweer een Rampjaar. Huizen staan ‘onder water’, werknemers leveren salaris in, pensioenen worden bevroren of gekort. Dit vinden wij niet grappig.

En dus moet er een zondebok worden gevonden. Die waren er volop. De bankiers en de bonusgraaiers, overal zaten ze, bij ABN Amro, de woningcorporatie. Een overzichtelijke situatie. Wij, krantenlezers en tv-kijkers, waren ‘het goede volk’; zij, de bonusgraaiers, waren de vijand.

We zijn nu een paar crisisjaren verder. Over de bonusgraaiers horen we niet veel meer. Nou ja, elke malafide ogende bestuurder krijgt nog wel aandacht als zondebok. Maar de ‘crisis van het bewustzijn’ is deze: de jeugd van tegenwoordig – onze kinderen – heeft het slecht. En, eureka, daar is de zondebok: de babyboomer.

De zogeheten populistische partijen hadden het altijd over ‘de mensen die de welvaartsstaat hebben opgebouwd’, die nu – in deze multiculturele samenleving – zelf afgeserveerd worden in hun achterstandswijken. Dat betrof de mensen die na 1945 volwassen waren, zes dagen per week moesten werken voor een schamel loon, pas met Den Uyl ‘het recht’ kregen op een televisie, een caravan en een fatsoenlijke portiekwoning en zich nu totaal vervreemd voelden in hun inmiddels verkleurde wijk.

Nu, tien jaar later, is de hetze tegen de Tokkies, die onderbuikmensen, uitgewoed. De culturele angst is intussen vervangen door de financieel-economische angst: gut, deze crisis zal misschien ook aan onze deur niet voorbij gaan, mijn eigen zoon/dochter kan geen baan vinden.

En zo is er vooral in de politiek en media – die jong-jong-jong als reddingsboei ziet voor eigen overleven – de trend ontstaan om maar over te stappen op een hele bevolkingsgroep die tot zondebok kan worden gemaakt: de babyboomers. Deze tactiek lijkt voor politici die moeten bezuinigen logisch: als er moet worden bezuinigd, pak dan de gepensioneerden met een goed pensioen. En verlaag daarmee de beloftes aan alle nieuwere generaties.

De bijbehorende argumentatie is simpel: de babyboomgeneratie – zeg alle Nederlanders die tussen 1946 en 1955 zijn geboren – heeft alles gratis gekregen, vrat zich vervolgens vol, voerde het hoogste woord, kocht tweede huisjes in Frankrijk en zei rond zijn 55ste op verjaardagspartijtjes: ‘ik heb een regeling’, ofwel zo goed als volledig doorbetaald tot het pensioen. ‘Kon ik niet weigeren.’

Waar de hetze tegen babyboomers op uit kan draaien? Lees Wilde Zwanen van Jung Chang, over al die jonge Rode Gardisten – ook babyboomers – die de huizen van hun eigen ouders bestormden om al die bourgeois potten, pannen en geschilderde panelen op de brandstapel te gooien.

Babyboomers, ik kan het woord inmiddels niet meer horen, associeer ik steeds meer met dát Rampjaar. Het woord stond voor prestatie, maar nu voor ‘uitvreters’ en ‘potverteerders’. Tot in de jaren zeventig studeerde slechts 10 procent van de volwassenen. Nu is 30 procent hoger opgeleid. Maar van die 10 procent vond slechts een klein deel een hoogwaardige baan. En dat was, in deze ontadellijkte, meritocratische tijden, dankzij prestatiezucht. De meerderheid van die babyboomers was gewoon bouwvakker of kantoormens, en geniet nu slechts een bescheiden aanvullend pensioen.

In sociaal-cultureel opzicht is er wat voor te zeggen om generaties te onderscheiden: na de babyboomers kwam zogenaamd de Ikgeneratie en daarna de Nixgeneratie. Maar de vraag is welk nut het heeft om een bepaalde generatie, die er niets aan kan doen dat ze toen geboren werd, aansprakelijk te stellen voor de financiële problemen van nu.

Zeker, die generatie heeft vaak ‘een leuke regeling’ gekregen. Maar elke generatie heeft ook mensen die uitzonderlijk presteren. En misschien waren er dat in die tijd van de babyboomers, dankzij de algemene prestatiezucht, wel meer dan in de huidige tijd, waarin de gedachte lijkt te bestaan dat er een taart is die opgevreten wordt door die gepensioneerde babyboomers en dat er voor de jongeren (blijkbaar allen onder 55 jaar!) alleen kruimels overblijven.

In werkelijkheid krijgt een deel van die versmade babyboomgeneratie – zij, die rond dat ‘rampjaar’ zijn geboren – als ze nu hun baan verliezen en als ‘vijftigplussers’ niet meer aan het werk komen, droog brood en nog meer kruimels.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.