Kritiek op babyboomers is terecht

Babyboomers hebben het wel degelijk beter dan de jonge generatie het zal krijgen. Media en politiek moeten eerlijk zijn in hun vergelijkingen, schrijft Marcelo Mooren.

Het begint zo langzamerhand een sterk pavlov-gehalte te krijgen. Een econoom, politicus of jongere schrijft een artikel over een probleem – de huizenmarkt, de staatsschuld, pensioenen, het besteden van de aardgasbaten et cetera – waarin hij iets onaardigs zegt over babyboomers en hun geprivilegieerde positie. In ingezonden stukken komt vervolgens een reactie van zo’n babyboomer waarin hij uitlegt dat hij 47 jaar heeft gewerkt, altijd belasting of premie heeft betaald en nu maar een klein pensioentje heeft in plaats van een groot grachtenpand.

Het lijkt op gebalanceerde berichtgeving van de media. Dit is evenwel niet het geval. Negen van de tien keer worden appels met peren vergeleken. Vaak lopen in de reacties twee dingen door elkaar: een generatieconflict – de eigen generatie heeft het zwaarder – en een klasseconflict.

Natuurlijk heeft de stratenmaker, geboren in 1951 en begonnen op zestienjarige leeftijd, het niet ruim. Hij voldoet dus niet aan het geschetste beeld van de profiterende babyboomer en voelt zich niet aangesproken. Daarom vindt hij het onterecht dat zijn generatie iets wordt verweten.

Vergelijk daarentegen eens twee stratenmakers met elkaar. Hoe denkt de gepensioneerde stratenmaker dat de net beginnende stratenmaker het zal krijgen? Hij heeft dezelfde sociaal-economische uitdagingen, maar het is onmiskenbaar dat de jonge stratenmaker kan rekenen op aanzienlijk minder voorzieningen. De WW zal nog doelwit worden van bezuinigingen, de VUT is al weg, de open poort naar de WAO is weg, er zijn hogere eigen bijdragen voor de school van de kinderen, eigen risico in de zorg et cetera.

Of vergelijk twee hoger opgeleiden met elkaar. Vroeger was er een hogere en langere studiebeurs, de hypotheekrenteaftrek was onbeperkt – zelfs op een tweede huis – en inkomensafhankelijke bijdrages in de zorg waren er niet.

Het is een onmiskenbaar harde realiteit dat de nieuwe generatie, in elke sociale klasse, minder collectieve voorzieningen heeft – van onderwijs tot pensioen en van zorg tot sociale zekerheid – dan de generatie die recentelijk met pensioen is gegaan of gaat, maar door de vertragende factor in het beleid betaalt de nieuwe generatie nog wel deels voor voorzieningen die zij zelf zal ontberen. Het is argumentatief onjuist dat dit wordt bestreden door de oude stratenmaker te plaatsen tegenover de jonge yup.

Zet je alle factoren – behalve de generatie – op een rij, dan zie je dat de kritiek op de babyboomgeneratie terecht is. Het is de rijkste generatie, de generatie waarvan de bijdrage en het gebruik van het collectieve geld het meest in disbalans is.

Politieke partijen lijken voor politiek gewin soms in te spelen op deze onduidelijkheid. Sommige maken van het generatieconflict bewust een klasseconflict, door de rekening neer te willen leggen bij ‘de breedste schouders’, maar dat werkt niet. We hebben geen behoefte aan de zoveelste transfer van rijk naar arm, maar van babyboom naar de rest.

De genoemde onzuiverheid in het debat maakt het nodeloos fel en minder constructief. De oude stratenmaker zal immers meer sympathie hebben voor zijn jonge vakgenoot dan voor Sywert van Lienden, initiator van jongerenbeweging G500. Ook de hoger opgeleide babyboomer zal wat meer bereid zijn tot lasten dragen als hij het niet ziet als het zoveelste ‘pak de rijken’-plan.

Door de feiten op een rij te hebben, kan het debat tot een beter eind komen. Politici en de media moeten dit samen voor elkaar krijgen.

Marcelo Mooren is lid van de Dertigersbeweging, een vernieuwingsbeweging binnen de christen-democratie.