Ik ben opgestaan en niet opstandig

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Onthechten en weer hechten: het leven loslaten en toch weer oppakken – dat is wat ik in de afgelopen anderhalf jaar tweemaal heb meegemaakt. En opnieuw, misschien binnenkort al, zal ik afscheid moeten nemen. We bereiden ons erop voor dat het afscheid dan definitief zal zijn.

„Het overkomt me. Het is jammer, heel jammer dat dit lot ons treft. Het is gewoon een kwestie van heel erg pech gehad. Tegelijk heeft het ook momenten van groot geluk opgeleverd, van ‘ik ben er nog’, van toch weer kunnen wandelen en fietsen, van samenzijn met mijn man, onze kinderen en kleinkinderen. Van gewone, kleine dingen die opeens heel bijzonder zijn: weer naar een concert geweest samen, een weekend weg, een heerlijke dag in onze tuin toen die prachtig in bloei stond.

„Door hartfalen, een gevolg van een erfelijke aandoening, werd ik in de loop van 2010 steeds zwakker. Ik kon nauwelijks nog lopen zonder ademnood, ik kon de trap niet meer op, ik had totaal geen energie meer, ziekenhuis in, ziekenhuis uit – dat was mijn leven.

„Op een dag zei de cardioloog: ‘We kunnen niets meer voor u doen, alleen een harttransplantatie zou nog een mogelijkheid zijn. Dat was een schok. Tijdens de feestdagen van 2010/2011 lag ik in het ziekenhuis en ik had de moed opgegeven. Van mij mocht het leven voorbij zijn, ik kon niet meer, ik wilde niet meer, terwijl ik nog zoveel had om voor te leven.

„Op een nacht, om een uur of half vier, stond mijn man plotseling naast m’n bed in het ziekenhuis. Ik vroeg: ‘Wat kom jij opeens doen, zo middenin de nacht?’ Hij zei: ‘We gaan naar het academisch ziekenhuis, er is een hart voor jou beschikbaar gekomen.’ De ambulancebroeders stonden op de gang al te wachten om me te vervoeren.

„De transplantatie verliep voorspoedig, na drieënhalf uur opereren had ik een nieuw hart. Dan volgt er nog een hoop ongemak en ellende: je nieren en andere lichaamsfuncties moeten weer op gang komen, je krijgt een massa medicijnen tegen afstotingsverschijnselen. Het duurde wel een paar weken voordat ik opkrabbelde. ‘U heeft de bocht genomen’, zei de cardioloog toen.

„Na zes weken ziekenhuis en drie weken in een revalidatiecentrum mocht ik naar huis. Het voorjaar kwam, langzaam sterkte ik aan. Voor de eerste keer weer de trap op naar boven, een wandelingetje, een boodschap doen: het voelde als herboren zijn en weer opgroeien. In de winter had ik al afscheid genomen van het leven, maar ik mocht weer meedoen – een intense ervaring.

„Eind april van dit jaar gingen we voor het eerst ook weer met het vliegtuig op reis. Lange tijd had ik dat niet gekund. Ik weet nog dat ik op Schiphol geëmotioneerd mijn dochter belde: ‘Ook dat kan ik weer!’

„In Barcelona kreeg ik maagklachten. Iets verkeerds gegeten, dachten we. De eerste ochtend dat we weer thuis waren, zei mijn man aan het ontbijt: ‘Je ziet heel erg geel.’ Meteen naar de huisarts, ziekenhuis, bloedonderzoek, echo, en nog diezelfde avond kregen we de diagnose: kanker, waarschijnlijk alvleesklierkanker. Nader onderzoek gaf de bevestiging, binnen een week.

„Eerst geloof je het niet. Je denkt: eerst m’n hart, en nu, zo snel daarna, dit weer – het kan niet waar zijn...

„Mensen zeiden tegen me: ‘Wat onrechtvaardig, dit is te veel voor één mens om te dragen!’ Dat gevoel heb ik nooit gehad, zo’n gedachte ligt waarschijnlijk niet in mijn karakter.

„Ik kreeg te horen dat de tumor operabel was: niet genezend, wel levensverlengend. Na de operatie ben ik wekenlang vreselijk ziek geweest, het was veel en veel zwaarder dan na de harttransplantatie. Ik voelde me zo ellendig dat ik zei: ‘Laat hier alsjeblieft een einde aan komen, dit is geen leven meer.’

„Na vier weken zei ik: laat me naar huis gaan, ik verdraag deze medische omgeving niet langer, er is genoeg met me gedokterd en gedaan.

„In het ziekenhuis lag ik op een kamer met een streng christelijke vrouw. Zij ging eerder naar huis dan ik. Huilend nam ze afscheid van mij en ze zei: ‘Ik wens u toe dat u niet opstandig wordt.’ Dat raakte me diep. Het gaf me de rust om de naderende dood te accepteren.

„Ook thuis ben ik er nog wekenlang slecht aan toe geweest. Het was intussen volop zomer, het weer werd langzaamaan beter en opnieuw knapte ik op. Een vriendin zei in die weken: ‘Je bent niet opstandig, maar wel sta je steeds weer op.’

„Het is waar: ik voel me redelijk goed op dit moment. Ik leef met een dubbel gevoel. Aan de ene kant kan ik me bijna niet voorstellen dat ik ieder moment weer net zo ziek kan zijn als ik tweemaal geweest ben. Dat maakt me angstig. Aan de andere kant besef ik dat ik tweemaal een extra periode heb gekregen, waarvan ik echt heb kunnen genieten en nog steeds doe.

„Ik herken mezelf in een gedicht van Dietrich Bonhoeffer: ‘Wie ben ik?/ Deze of gene?/ Ben ik vandaag deze en morgen een ander?/ Ben ik beiden tegelijk?’ Ja, ik ben beiden tegelijk.”

Tekst & foto’s

E-maillaatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord