Ieniemienievingertje

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: mensenkinderen.

Het is niet omdat hij overdag slaapt, dat mijn dochter van haar dwerghamster houdt. Het is omdat hij met van die ieniemienievingertjes een stukje wortel van haar aanpakt en dat dan uit zijn handjes oppeuzelt om daarna ijverig en uitgebreid zijn snuitje te gaan poetsen.

En het is niet omdat ze zo uit haar muil stinkt, dat ik wanhopig van mijn ezelin houd. Het is omdat ze met haar zachte neus voorzichtig in mijn nek kriebelt en dan haar grote kop op mijn schouders legt.

Liefde tussen mens en dier, vertelde bioloog Midas Dekkers me ooit, is „een gigantisch misverstand”. „Maar wel een heerlijk misverstand.” Volgens Dekkers kunnen mensen niet van dieren an sich houden. „Mensen zijn niet ter wereld gekomen om van woestijnratjes en goudvissen te houden. Mensen zijn ter wereld gekomen met slechts het vermogen om van andere mensen te houden. Wat mensen wel kunnen, is in dieren menselijke trekjes ontwaren en daar ontzettend veel van houden.”

Daar moest ik aan denken toen ik laatst de documentaire Project Nim zag, over een taalexperiment van Columbia University met een chimpanseebaby. Kan een chimpansee gebarentaal leren? Om dat te onderzoeken werd Nim weggehaald bij zijn moeder en ondergebracht bij een vrolijk chaotisch hippiegezin uit Manhattan.

Wie de documentaire ziet, houdt meteen van de kleine Nim. Nim heeft namelijk heel veel menselijke trekken. Hij past in kinderkleren, leert plassen op de wc, bedelt om snoep en wil de kat vasthouden. Al snel leert hij het gebaar voor ‘knuffelen’. Later wil hij aan de borsten van zijn mensenmoeder zitten en eist hij een trekje van een joint. Nim is om op te vreten.

Mensenbaby’s lijken, in tegenstelling tot chimpansees, helemaal niet op mensen. Midas Dekkers beschreef in een interview een baby als „een raar, bloot, geleed, witachtig, kazig ding”. Stel dat je nog nooit van je leven een baby had gezien, zegt Dekkers, en dat je er voor het eerst een in een wieg zou zien liggen, „dan zou je verschrikt achterover deinzen”. „En 112 bellen, of hoe heten die jongens van de ongediertebestrijding.”

Toch kunnen we van baby’s houden. Omdat ze zo lief niesen. Omdat ze met hun knuistje heel hard in je vinger knijpen. Of omdat ze zo beteuterd kijken kunnen. Omdat we, kortom, iets van onszelf in hen bespeuren.

Dat verklaart ook meteen waarom ouders altijd zeggen dat het hebben van kinderen ‘steeds leuker wordt’. Een kind vertoont steeds meer menselijke trekken om van te houden: opeens kunnen ze fluiten, biefstuk bakken, de was doen of spullen op Marktplaats verkopen.

En ondertussen hoop je dan maar dat ze niet op een dag met hun nagels je gezicht openrijten, of je aan je enkel over de grond sleuren en je tegen de muur slaan. Dat was wat Nim uiteindelijk deed. (Daarna maakte hij niet eens het gebaar voor ‘sorry’).

Maar Nim is natuurlijk een heel ander verhaal, probeer ik mezelf gerust te stellen. Die werd als baby bij zijn moeder weggehaald. Dat is echt veel traumatischer voor kinderen dan gescheiden ouders. Het gaat toch best tot nu toe?

Volgende week ga ik met mijn dochters naar Barcelona. Daar gaan we inktvis eten en cava drinken. Het is voor ouders van zuigelingen misschien moeilijk te geloven, maar je kind voor het eerst een glas champagne zien drinken, is net zo weekmakend als een baby die voor het eerst zelf zijn flesje vasthoudt.