Holy crap! That is amazing!

Hisko Hulsing ging naar Los Angeles om zijn animatiefilm Junkyard te promoten. „Ik heb het aan enthousiaste Amerikanen te danken dat ik hier sta.”

Hisko Hulsing in zijn studio in Amsterdam. Onder: stills uit zijn film Junkyard.
Hisko Hulsing in zijn studio in Amsterdam. Onder: stills uit zijn film Junkyard. Foto Maurice Boyer

Vrijdag 5 oktober

Net terug van het Ottawa International Animation Festival in Canada – waar Junkyard de Grand Prize won – heb ik te horen gekregen dat we genomineerd zijn voor een Gouden Kalf in de categorie ‘Korte Film’.

Vanavond ga ik met mijn vriendin en mijn producenten naar het Gouden Kalveren Gala. Ik geniet er op een bepaalde manier wel van, heel veel blote jurken en gebakken lucht en bij de bekendmaking van de beste film stroomt de zaal ineens vol met fotografen en cameramensen. Ik denk even dat het een flashmob is of een grap, maar het dringt langzaam door dat het helemaal serieus en echt is. Ik had geen idee dat zoiets bestond in Nederland.

Junkyard wint geen Gouden Kalf. Dat is geheel verwacht, want animatiefilms winnen vrijwel nooit iets in Nederland, ondanks alle internationale successen en Oscars.

Op het feest achteraf krijg ik wel de kans om Paul Verhoeven even aan te spreken en Boudewijn Koole te feliciteren met zijn prachtige film Kauwboy.

Zaterdag

Disney en Dreamworks hebben me uitgenodigd om naar Los Angeles te komen om Junkyard te vertonen en een lezing te houden voor hun animators. Het is blijkbaar gebruik bij de grote studio’s om filmmakers uit te nodigen die zij inspirerend achten voor hun werknemers. Voor mij is dit vooral een uitgelezen kans om Junkyard onder de aandacht te brengen van de Academy-leden die straks voor de Oscars gaan stemmen.

Ik gebruik de zaterdag om de lezingen goed voor te bereiden. Ik verzamel interessant ‘work in progress’-materiaal: storyboards, kleimodellen, lijntesten, lay-outs, orkestopnamen, bladmuziek en foto’s van de 130 olieverfschilderijen die ik als decors schilderde voor Junkyard.

Uit een berichtje dat Pixar-regisseur Ralph Eggleston over Junkyard schreef, maak ik op dat mijn olieverfschilderijen wellicht indruk zullen maken bij de Amerikaanse Studio’s: ‘Holy CRAP. That is amazing! So freakin’ inspiring, and boy, did I ever need that today... You can almost BREATH the textures in this film – truly remarkable. Excellent film making skills, and imaginative mixing of technique, without any one ever drawing attention away from the story. Great stuff!

Zondag

In Los Angeles overnacht ik in het prachtige huis van story artist Wilbert Plijnaar, die al zestien jaar voor de grote studio’s werkt. Hij somt de films op waaraan hij heeft gewerkt: Ice Age 1, 2 en 3, Shrek 2, Shark Tale en ga zo maar door.

Wilbert praat graag en weet veel. Als een spons neem ik alle informatie op. Wat ik vooral opmaak uit zijn woorden is dat hij onderdeel is van een groot systeem, waarbij het lijkt alsof niemand echt de touwtjes in handen heeft of een duidelijke visie heeft. Dat maakt ook niet uit, want de films leveren miljarden dollars op.

Zelf zie ik liever de oude Disneyfilms, maar dat is uiteraard een kwestie van smaak.

Maandag

’s Ochtends komt David Lux, story artist bij Dreamworks, een paar uur brainstormen met Wilbert.

Elke dag stuurt Jeffrey Katzenberg, directeur van Dreamworks Animation, alle 1.600 werknemers een interne blog. Dit soort totale zelfverheerlijking wordt hier blijkbaar volledig geaccepteerd en wellicht zelfs toegejuicht. Het is wel indrukwekkend hoeveel lunch en champagne er in één man passen op een dag. Terloops meldt hij nog even dat de Obama’s en Clintons aan het eind van de dag in zijn villa in Los Angeles komen dineren en met hem snel even de wereldpolitiek doorspreken. Ja natuurlijk, Jeffrey.

Ik huur een auto voor de komende dagen, want ik zie al meteen dat je in Los Angeles helemaal nergens komt zonder auto. Ik word gewaarschuwd om goed op voetgangers te letten, maar ik zie nauwelijks voetgangers. Wel veel eekhoorns en stinkdieren.

’s Middags ga ik proefdraaien in de filmzaal bij Disney Studio’s. Ik wil zeker zijn dat alles werkt, dat het geluid goed staat, dat de kleuren goed zijn en ik geen onverwachte problemen krijg bij mijn lezing. Ik ben onder de indruk van de professionaliteit van de technici. Iedereen is een klein radartje in een gigantische machine, wat misschien frustrerend is voor sommigen, maar wat wel tot verfijnde specialisatie leidt.

Dinsdag

Om twaalf uur ’s middags is het zover. De filmzaal stroomt vol met zo’n zestig Disney-medewerkers. Dat is een heel goede score voor een korte film, zeg ik tegen mijn zenuwachtige zelf.

Junkyard ziet er prachtig uit in deze zaal, het geluid staat hard, maar niet te hard en ik ben tevreden.

Al bij de eerste woorden van mijn lezing heb ik de lachers op mijn hand, wat de hele lezing onverwacht tot een aangename belevenis voor me maakt. Op het podium staan is geen hobby van me, maar op deze manier is het eigenlijk wel leuk.

Achteraf ga ik lunchen met een aantal tekenaars. Ik krijg langzaam door dat er bij Disney op het moment alleen nog 3D-computeranimatiefilms worden gemaakt en dat deze tekenaars, ooit de sterren van de studio, met smart op 2D-projecten zitten te wachten. Een van de tekenaars oppert dat hij Junkyard wil vertonen aan John Lasseter, directeur van Disney en Pixar, om hem te laten zien hoe schilderachtig en volumineus 2D-animatie kan zijn. Ik betwijfel of Lasseter geïnteresseerd is, maar ik voel me wel gevleid.

Ik word nog zo’n vier uur lang door de gangen, gebouwen en soundstages van Disney geleid. Ik ruik helemaal geen verf, en zie geen potloden. Ik hoor vooral veel computers zoemen.

Woensdag

De lezing bij Dreamworks gaat minder goed. Er zijn veel minder mensen komen opdagen dan bij Disney en ik ben gek genoeg veel nerveuzer dan gisteren. Ik heb de hele tijd het gevoel dat ik een voicemail aan het inspreken ben.

Uiteindelijk levert deze voorstelling waarschijnlijk wel meer op, omdat Jerry Beck, een autoriteit op het gebied van animatie, en Jamie Bolio, bestuurslid van een grote animatieorganisatie,na de voorstelling op me af komen, me voluit complimenteren en aanbieden te helpen met de promotie voor Junkyard. Uit ervaring weet ik dat dit soort vakmensen niet zomaar kletspraatjes houden. Ik heb het aan enthousiaste Amerikanen te danken dat ik hier nu sta.

Na afloop van het lange gesprek zeggen ze me over drie maanden weer te verwachten in Los Angeles. Ze zijn overtuigd van een Oscar-nominatie voor Junkyard.

’s Avonds rij ik met een voldaan gevoel over Sunset Strip en Hollywood Boulevard.

Donderdag 11 oktober

’s Ochtends komen er uitnodigingen binnen van Pixar en Blue Sky Studio’s en mailtjes van Disney- en Dreamworks-animators die me laten weten hoe ze van mijn film hebben genoten. ‘The raw beauty of your work and truth of subject was both beautiful to look at and heart wrenching at the same time.’ Zo te zien heb ik een zenuw geraakt.

Op de terugweg in het vliegtuig kijk ik Bambi (1940) op het schermpje in de stoel voor me. Wat een prachtige film is dat toch, artistiek op alle vlakken: de muziek, de achtergrondschilderijen en de getekende animatie zijn allemaal met evenveel liefde en smaak gemaakt. Ik weet niet of het door de jetlag, door het bier of door de dood van Bambi’s moeder komt, maar ik word plotseling verdrietig. Misschien ook wel omdat ik plotseling besef dat dit soort traditioneel getekende Disney-animatie waarschijnlijk voorgoed verleden tijd is.