‘Een puzzel is goed gezelschap’

’s Nachts duwt en trekt puzzelmaker Jelmer Steenhuis aan woorden. Een gesprek over 25 jaar Scrypto. ‘Ik kan mijn gedachten niet beheersen.’

Jelmer Steenhuis en zijn notitieblok met een Scrypto in wording.
Jelmer Steenhuis en zijn notitieblok met een Scrypto in wording.

Op vrijdagmiddag kwart voor twee zit ik alleen in Café Modern in Amsterdam-Noord. Twee dingen weet ik dan nog niet: dat Jelmer Steenhuis (58), de puzzelmaker van NRC Handelsblad, op dit tijdstip niet luncht maar ontbijt en dat zijn brein nog niet aan staat. Hij is verkeerd gelopen, zegt hij als ik hem bel om te zeggen dat de keuken om twee uur sluit. Een verdwalende puzzelmaker, dat lijkt een tegenstrijdigheid. Van iemand die dag na dag voor anderen zoektochten door woorden en cijfers verzint, verwacht je zoiets niet.

Jelmer Steenhuis zegt, als hij is gearriveerd, dat hij de ochtend niet zo’n interessant moment van de dag vindt. „De geest moet dan nog wakker worden.” Hij merkt dat hij het tijdstip van ontwaken steeds iets verder opschuift. Hij staat wel op, zo rond een uur of elf, maar houdt zichzelf met opzet nog een tijdje sloom. Zijn brein kan aan en uit. Staat het aan, dan is hij een woordensmid. Hij verzint woordomschrijvingen en spint gedachten die vele duizenden Nederlanders elk weekeinde proberen te doorgronden. Is hij eenmaal ontwaakt, dan is hij een bètaman die kan denken als een alfa. Dan weet hij de weg dwars door Parijs. De tomtom vindt hij een zwaktebod, een „nederlaag voor de intelligentie van de mens”. Zo worden mensen luie denkers.

Denken, zegt hij, is voor hem arbeid. „Ik ben denker van beroep.” Denken is dus werken, en werken doet hij ’s nachts. Dat is zo gekomen toen hij begon als puzzelmaker. Precies 25 jaar geleden maakte hij zijn eerste cryptogram voor de krant. Overdag was hij advocaat, gespecialiseerd in faillissement- en auteursrecht, en daarnaast maakte hij zijn puzzels. „De advocatuur is een opslurpend vak. Puzzels maken kon alleen maar ’s nachts.”

In 1997 stopte hij als advocaat en werd fulltime puzzelmaker. Studio Steenhuis is nu een bedrijfje, met vier man personeel. Maar hij is nachtwerker gebleven. „Ik creëer het beste in de stilte van de nacht. Dan valt alles op zijn plek.” Nu hij een vrouw heeft en vier zoons (21, 17,15 en 12) leeft hij tegen het verkeer in. „Ik doe mee met de avondshift. En de hond, die laat ik ook uit.”

Hij heeft geleerd het denken uit te schakelen. „Zoals je emoties ook kunt sturen.” Hij moet wel. Doet hij het niet, dan blijft hij voortdurend op zoek naar vondsten, en struikelt zijn brein over de geringste associatie. „Zelfs toen jij me vroeg wat ik wilde drinken. Toen wilde ik zeggen: ik wil jou drinken.”

Pardon?

„Je achternaam”, zegt hij. „Die zat me in de weg. Ik hou me tegenwoordig in. Het klinkt zo raar als ik alles zeg wat ik denk.”

Bel angst ellende

Hij kan zijn gedachten niet beheersen, zegt hij. Hij kan hooguit de voorwaarden scheppen waardoor gedachten in zijn hoofd komen. „Ik stel me ervoor open.” Als hij het woord ‘belangstellende’ leest, ziet hij: bel angst ellende. „Dat gebeurt, daar doe ik niet zoveel aan. Maar waarom of hoe krijg ik die gedachte? Geen idee.” Een woord als ‘bureaulamp’, daar valt niet zoveel aan te beleven. „Dan moet je werken aan de best mogelijke omschrijving: ‘Hij verlicht je werk’. Toen hij nog werkte als advocaat, was hij voortdurend op zoek naar vondsten. „Tegen de verdrukking in. Die onrust of ik nog wel wat kon bedenken.”

Zijn de woorden waarmee hij iets verzinnen kan na 25 jaar niet ‘op’? Met Google en alle woordenlijsten op internet is het spel wel iets oneerlijker geworden, zegt hij. Maar hij blijft nieuwe samenstellingen vinden, neologismen, een woordomschrijving die hij niet eerder gebruikte in een puzzel. Het hoogste doel is het woord te vinden dat alle synoniemen dekt. „Het woord dat bewijst dat dronken hetzelfde is als nuchter, zwart hetzelfde als wit. Het woord dat bewijst dat alles met alles samenhangt.” Een enkele keer recyclet hij een woord uit de enorme digitale databank die hij in al die jaren heeft aangelegd. „Het is tegen mijn eergevoel in. Maar soms vinden mensen een makkelijk woordje fijn. Ik gun ze hun ankerpuntje.”

Zijn beste vondsten zijn het resultaat van duwen en trekken, van denken en grondig deduceren. „De dingen die ik Aus einem Guss bedenk, zijn toch vaak een beetje makkelijk en voorspelbaar.” Hij pelt woorden uit en zet ze aan elkaar, net zo lang tot het een perfect kloppend geheel is.

Een eigen wereld?

„Een goede puzzel is een fijne, rustgevende wereld waar je ingezogen wordt. Een wereld zonder ellende. Een utopie.”

Is er zoveel ellende dan?

„Iedereen heeft zijn persoonlijke verliezen. Ik ook. De wereld wordt leaner and meaner, kijk maar wat er om de puzzel heen in de krant staat.”

Beste vriend

Hij doet nu het tegenovergestelde van wat hij deed als advocaat. „Als advocaat vertegenwoordig je de belangen van iemand en die gaan per definitie in tegen de belangen van de tegenpartij. Je bent voortdurend iets of iemand aan het bestrijden. Met mijn puzzels doe ik alleen goed werk. Een puzzel is good company. Voor de eenzamen onder ons is het hun beste vriend.”

Dat klinkt sneu.

„Een perfecte puzzel is ware schoonheid. Ik en mijn oplossers maken die schoonheid zichtbaar. Puzzelaars vormen een soort sekte. Met eigen sites en ontmoetingsplekken waar eindeloos wordt geluld over de juiste oplossingen. Met eigen regels die nergens staan opgeschreven, maar waarvan iedereen weet: zo moet het.”

Zelf maakt Jelmer Steenhuis zelden een cryptogram. „Hooguit om te zien wat er zoal is en om mijn geest te scherpen. Maar ik doe ze niet met plezier. Ik ben geen oplosser. Ik ben een bouwer. Een constructeur.”

Een constructeur die zijn eigen regels en wetten bepaalt. Wie zijn puzzels wil oplossen, moet leren denken zoals hij.

„Elke creatieve gedachte zie ik als een bouwsteentje van een groter geheel. Ik bedenk iets. Iets dat ik niet kan benoemen, de ene keer door god gegeven, de andere keer met bloed, zweet en tranen tot stand gekomen. Dat iets zweeft boven ons en wordt opgepikt door de puzzelaars, die blijkbaar dezelfde gedachte hebben als ik.”

Hij gelooft dat er zoiets bestaat als collectieve kennis, die zich verspreidt over de generaties. „We zijn op weg naar een nieuw soort entiteit. De mens verschilt maar een fractie van de apen. En na ons komt weer iets anders.”

Na de bleekroze bietensoep, wordt het tweede gerecht van het vaste lunchmenu geserveerd. Achterdochtig prikt hij met zijn vork tussen de paddenstoelen op zoek naar sporen van geitenkaas. „Dat lust ik niet. Ik heb ooit eens op een boot gezeten van Java naar Sumatra, tussen tweehonderd bokken. Die geur zit nog in mijn neus,” Hij grinnikt. „Mijn vrouw en ik hebben elkaar uitgekozen op onze gemeenschappelijke afkeer van de producten van een geit.”

Ik vraag hoe hij haar heeft ontmoet. Hij zegt dat ze bij hem kwam aanbellen. „Ik woonde in Laren. Alleen. Ik was een jaar of dertig, reed een Peugeot cabrio en rookte blauwe Gauloises. Dat viel daar op. Ze kwam op een koude winterdag aanbellen met een vriendin. Twee meisjes van begin twintig waren het, ze hadden een of andere vage smoes. Ik dacht: die komen natuurlijk niet zomaar langs. Ik heb snel de bende opgeruimd en ze binnengelaten.” Zij wilde graag kinderen. Het werden er vier. „Ergens ben ik de regie kwijtgeraakt.” Lastig voor iemand die zich overal mee wil bemoeien, die „alles zelluf wil doen”. Hij spreekt het uit als een tweejarige. Niet dat hij van elke spijker wil bepalen hoe die de muur ingaat, of hoe er thuis wordt opgevoed. Of eigenlijk wil hij dat wel, maar doet hij het niet, zegt hij, omdat hij weet dat daar voor hem niets mee te winnen valt. „Ik moet iets kunnen toevoegen, er moet iets te bouwen vallen.”

Ja, en dan is hij kritisch, streng en lastig soms. Hij doet geen concessies, zeker niet als het om zijn puzzelwerk gaat. „Ik ben a-commercieel. Ik zou best iets kunnen maken dat nog veel meer mensen aanspreekt. Maar dan moet ik triviaal gaan denken en de schoonheid opzijzetten. Dat wil ik niet. Voor de massa is mijn werk te moeilijk of te mooi.”

Is Jelmer Steenhuis slimmer dan de rest?

Hij glimlacht vluchtig. „Ik zou ook moe worden van mezelf.”

Ik wil graag horen waarom hij dat denkt. Hij zegt: „Er zit iets onverbeterlijks in me. Voor anderen ben ik soms moeilijk te bereiken. Ik trek me terug in mijn eigen hoofd.” Mensen laat hij daar niet toe, alleen feiten. „Ik lees nauwelijks fictie meer, kijk geen tv-series en geen films. Heel soms kijk ik vijf minuten mee naar Mad Men, de serie waar mijn vrouw zo dol op is. Na vijf minuten krijg ik een opvlieger. Ik verdraag de gedachte niet dat iemand dat heeft zitten schrijven om mij te vermaken.” Sport, daar kan hij wel van genieten. Vooral voetbal. „Sport is wat het is.” Maar verder is alles op tv voor hem behang. „Het staat voortdurend aan in mijn werkkamer, maar ik kijk nooit echt.”

Er is een tijd geweest dat hij gedichten schreef, liedjes zong en zichzelf begeleidde op gitaar. „Maar mijn vingers konden niet maken wat mijn hoofd bedacht.” Zijn oudste zoon leeft nu zijn droom. Hij zit op het conservatorium. „Hij zingt en speelt keys. Hij is een song-smid. Woorden met muziek, dat is geweldig. Dan kun je ook nog emotie toevoegen.”

De vraag was: is Jelmer Steenhuis slimmer dan de rest?

Nee, zegt hij. „Maar wel het slimst op mijn gebied. Mensen zijn bezig met mijn bedenksels. Om mijn gedachtengangen te volgen, moeten ze diep onder mijn huid kruipen.”

Eng, zeg ik, zoveel mensen onder je huid.

„Soms willen ze me ontmoeten, of met me op de foto.” Hij rilt bij de gedachte. „Dat moet ik niet hebben.”

De gemeenschappelijke kenniswolk waar hij het net over had, stelt hem gerust. „Ik ben niet wat ik denk. Het is mijn gedachte die daar zweeft. Niet ik.”