De Knot verwijt de ketel ...

U heeft het misschien niet gemerkt, maar de centrale bankiers kwamen naar u toe deze week! Klaas Knot legde dinsdag in de Tweede Kamer uit dat De Nederlandsche Bank de euro niet verkwanselt door staatsobligaties van zuidelijke landen op te kopen. Geldpers? Die staat niet aan. Inflatiegevaar? Welnee. Dat onze volksvertegenwoordigers het weten.

Zijn collega en baas (nou ja... soort van) Mario Draghi van de Europese Centrale Bank verscheen een dag later in het Duitse parlement. Daar moest hij achter gesloten deuren sceptische parlementariërs overtuigen van dezelfde boodschap. Wij gaan zuinig met de euro om. Wij zetten de geldpers niet aan. Er dreigt geen inflatie. Het lijkt een succes. De van tevoren brullende sceptici pruttelden na het gesprek louter nog wat na.

Het was een heus pr-offensiefje. Draghi memoreerde in zijn speech hoe zeldzaam het is dat een president van de ECB een nationaal parlement toespreekt. Om zijn nederigheid te benadrukken zei hij: „Ik ben hier om te luisteren.”

De twee optredens markeren de bijzondere positie die centrale bankiers in democratieën hebben. Ze zijn onafhankelijk, staan op afstand van de regering, en hebben enorme macht. Ze kunnen banken redden of failliet laten gaan. De ECB kan probleemlanden helpen (of niet), door staatsobligaties op te kopen (of niet), door de geldkraan naar de banken van het land open te draaien (of juist dicht). De Amerikaanse Fed zou de verkiezingsstrijd tussen Obama en Romney kunnen beïnvloeden - door te spelen met de geldhoeveelheid en zo de stemming onder bedrijven en consumenten te veranderen.

Tegelijk hebben centrale bankiers door hoe precair hun positie is, zeker na de crisis. Ze zijn niks zonder steun van democratisch gekozen leiders. En doordat centrale banken overheden en banken op ongekende schaal zijn gaan helpen, zijn ze nog afhankelijker van die politici geworden.

Een geliefde bezigheid van centrale bankiers is klagen over politici, zo weten we uit het boek Wellink aan het Woord. Daarin tekende journalist Roel Janssen de memoires van Nout Wellink op, die in 2011 afzwaaide als baas van De Nederlandsche Bank. Wellink zegt daarin: „Centrale bankiers vormen een bijzonder gezelschap. Het is een soort van broederschap. We vertellen elkaar alles, ook als je problemen hebt.” (Hij voegde er voor de zekerheid aan toe: „We vormen geen therapiegroep.”) Ze zien elkaar in serene uithoeken van de wereld: maandelijks in het Zwitserse Bazel, jaarlijks in het Amerikaanse Jackson Hole. Als ze samen zitten, spreken ze vaak hoofdschuddend over al die politici die weer eens gekke dingen hebben gezegd om hun kiezers te plezieren. Het relaas van Wellink is ermee doorspekt. Wat Angela Merkel nu weer had gedebiteerd! Sjongejonge!

Knot en Draghi zijn ook niet vies van (beschaafd) afgeven op politici. De politiek doet te weinig, is telkens het verhaal. Het roept de vraag op: wat hebben jullie zelf eigenlijk gedaan de afgelopen jaren? Want het zijn de centrale banken die toezicht houden op de banken. En zoals de Britse centrale bankier Mervyn King deze week nog zei, die banken staan er nog steeds zo slecht voor dat ze elke kans op economisch herstel frustreren.

Dus leuk dat Knot een paar weken geleden verkondigde dat Nederlandse banken hun vastgoedleningen eerlijker (dus lager) moeten waarderen. Leuk dat King deze week zegt dat westerse banken hun verliezen moeten nemen. Maar wie kan dat afdwingen? Wie had daar al in 2008 mee kunnen beginnen? Wie had dé les uit 800 jaar financiële crises moeten kennen, te weten: neem je verlies zo snel mogelijk?

Juist. De Knots, de Draghi’s en de Kings van deze wereld. In plaats daarvan heeft de ECB zo’n 1.000 miljard euro aan wankele banken geleend, zonder te eisen dat ze hun verliezen erkennen. Zo kunnen zombiebanken nog een tijdje mee. Precies niet de bedoeling. Voor Knot, Draghi en King geldt: je hèbt al die macht, gebruik hem dan ook.

Marike Stellinga schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie