Brieven

Wat een generaliserende blik op een statische stad

Los van de kwaliteit van zijn essay slaat Errik Buursink ook inhoudelijk de plank mis in zijn essay over de stad (Opinie&Debat, 13 oktober). Hij zet ons met zijn blik op de stad op het verkeerde been.

De eerste misplaatste stellingname is Buursinks tendentieuze diskwalificatie van mensen. Ik krijg een vervelende smaak in mijn mond van passages als „vergaarbakken van verslaafden, immigranten, bijstandsmoeders en geestelijke gestoorden”. Bovendien valt er nog wel wat af te dingen op de onderbouwing van wat als feitelijke kloof tussen bevolkingsgroepen wordt beschouwd. De generalisatie doet denken aan de blinde vlek voor de ‘gewone mens’ die Auke van der Woud al constateerde in literatuur over de stad tijdens de industriële revolutie.

De tweede misplaatste stellingname is Buursinks gebruik van de achterhaalde metafoor van Metropolis van Fritz Lang. Buursink zegt dat hij weinig voorstellingsvermogen nodig heeft om zich de toekomst voor te stellen. Ik heb juist wel heel veel voorstellingsvermogen nodig om de extrapolatie van huidige ontwikkelingen te vertalen naar de kloof tussen „bovenklasse” en „eenvoudigen” in onze steden.

Ten slotte maakt Buursink in zijn essay een schaalfout in het denken over ‘de’ stad en de inaccurate definitie van ‘stad’ in zijn betoog. De afstanden in Nederland legitimeren geen pleidooi dat gebaseerd is op een statisch, statistisch beeld van sociaal-economisch-politieke segregatie. Het alledaagse leven vindt plaats in een veelheid van plekken en tijden. Over de kwaliteit dáárvan zou het debat over de stad moeten gaan. Jeroen van Schaick

Amsterdam

Ga juist wel promoveren!

Rosanne Hertzberger vindt het moeilijk om iemand oprecht aan te raden aan een promotieonderzoek te beginnen (Opinie&Debat, 20 oktober). Dat is jammer en niet nodig.

In Nederland en omringende landen is namelijk minder dan 3 procent van de gepromoveerden werkloos [Rathenau Instituut, juni 2012], en het salaris van een gepromoveerde direct na de promotie is inderdaad niet hoger dan dat van academici zonder doctorstitel, maar na enige jaren is het wel circa 20 procent hoger [CBS, 2005].

In reactie op andere zorgen die Hertzberger noemt (frustratie, gebrek aan begeleiding, geen voorbereiding op de arbeidsmarkt, te weinig kansen) zijn in de afgelopen tien jaar graduate schools opgericht. Deze geven structuur aan de opleiding van jonge onderzoekers, verbeteren hun begeleiding, en bieden een verbreding aan waardoor deze mensen uitstekend geëquipeerd zijn voor de arbeidsmarkt na hun promotie.

Er is wel sprake van verkeerde verwachtingen. De meeste startende promovendi rekenen op een academische loopbaan. Dat is jammer, want de arbeidsmarkt hecht veel waarde aan het doorzettingsvermogen en de inventiviteit die karakteristiek is voor promotieonderzoek.

Daarnaast is er ook een maatschappelijke noodzaak. Er is in Nederland een tekort aan hoogopgeleide onderzoekers, met name in het bètadomein. De keuze voor een promotie met een vervolgstap richting bedrijfsleven draagt bij aan de oplossing van dit probleem.

Gerard van der Steenhoven

Dean Twente Graduate School, decaan faculteit technische natuurwetenschappen Universiteit Twente, en voorzitter Nederlandse Natuurkundige Vereniging (NNV)