Applaus voor de moordenaars

Geschiedenis

De Indonesische massamoord op communisten in 1965 en 1966 kostte een half miljoen mensen het leven. Toch zijn de daders nooit gestraft. In een nieuwe documentaire spelen zij zonder schaamte zichzelf.

Drie oudere mannen rijden in een jeep door de straten van Medan, de hoofdstad van de Indonesische provincie Noord-Sumatra. Ze halen herinneringen op aan gebeurtenissen van bijna een halve eeuw geleden. Anwar, de oudste, draagt een safarihoed en camouflagepak. Hij wijst. ‘Daar gebeurde het. Ik noemde dat pand het “bloedkantoor”.’ Zijn vriend Adi vertelt: ‘Ik haatte Chinezen – én de vader van mijn vriendin. Hij was Chinees, dus ik stak hem overhoop.’ Ze lachen hartelijk.

In de jaren zestig waren Anwar en Adi gangsters in zakformaat. Ze verdienden hun brood met de verkoop van bioscoopkaartjes op de zwarte markt. In 1965 werden ze van figuranten hoofdrolspelers toen ze door het leger werden ingezet bij de massamoord op communisten en etnische Chinezen. Dat deden ze vol overgave. En zij spelen die moordpartij met evenveel enthousiasme na in de documentaire The Act of Killing van de Amerikaan Joshua Oppenheimer, die volgende week zijn Europese première beleeft in Kopenhagen.

In de nacht van 30 september op 1 oktober 1965 hadden jonge officieren in Jakarta zes generaals ontvoerd en vermoord en strategische plaatsen in de hoofdstad bezet. Ze lieten weten dat ze president Soekarno wilden beschermen tegen een op handen zijnde coup van rechtse generaals. Generaal-majoor Soeharto, commandant van de Strategische Reserve van de landmacht, was ongedeerd en maakte korte metten met deze rebellie. De aanstichters, linkse officieren van de presidentiële garde, werden opgepakt. Soeharto verklaarde voor de staatsradio dat de Partai Komunis Indonesia (PKI), toen de grootste niet-regerende communistische partij ter wereld, een greep had gedaan naar de macht. Leden van de communistische vrouwenbeweging zouden in die bewuste nacht de zes gedode generaals met scheermesjes hebben ontmand, wat later bij autopsie een verzinsel bleek te zijn.

In de zes maanden daarna leidde het leger een jacht op alles wat links was. Tussen oktober 1965 en maart ’66 vond volgens de meeste historici een half miljoen Indonesiërs de dood. Bij die slachting schakelden de militairen hulptroepen in. In Oost-Java waren dat leden van een islamitische jeugdbeweging, op Bali jonge nationalisten en in Noord-Sumatra vooral jonge gangsters. Zoals Anwar en Adi, en al die anderen die in Oppenheimers film herinneringen ophalen aan het drama.

Oppenheimer laat de moordenaars niet alleen aan het woord, hij vraagt ze ook om hun gruweldaden na te spelen voor de camera, om een film in de film te maken. Dat doen ze graag, want ze zijn al sinds hun jongensjaren filmliefhebbers en bewonderaars van James Dean en John Wayne. Ze ensceneren martelverhoren, executies en een overval op een ‘communistisch’ dorp in hun drie favoriete genres: de western, de gangsterfilm en de musical. De opnamen trekken veel volk, dat massaal optreedt als figuranten. De lokale zender van de staatstelevisie wijdt een talkshow aan het project en het publiek applaudisseert luid voor de moordenaars/acteurs.

‘The Act of Killing’ is onbegrijpelijk voor wie niet beseft dat voor het Indonesische bloedbad van 1965 nooit iemand ter verantwoording is geroepen, zoals voor de Holocaust en voor de genocide in Rwanda. Deze ‘afrekening met communisten’ geldt ook na de val van potentaat Soeharto nog steeds als het louterende vuur waaruit de feniks van de Indonesische natie is herrezen. De burgermilities die zich met knuppels en kapmessen op dorps- en wijkgenoten stortten, worden gerespecteerd. Adi zegt in de film: ‘Oorlogsmisdaden worden gedefinieerd door de winnaars; en wij hebben gewonnen.’

Uniformen

De communistenmoord van 1965-’66 maakte van deze straatboeven een steunpilaar van de gevestigde orde. Anwar en zijn vrienden dragen in de film het camouflage-uniform van de Pemuda Pancasila (PP, Jeugd van de Vijf Zuilen). Dat is een jongerenorganisatie die is opgezet door het leger, werft onder stedelijke randgroepjongeren en tijdens de Nieuwe Orde (1966-1998), het bewind van generaal-president Soeharto, de sterke arm was van regimepartij Golkar. De PP hielp bijvoorbeeld boeren van hun land te zetten als ze weigerden het veld te ruimen voor een projectontwikkelaar. De organisatie is na de val van Soeharto veel van zijn macht kwijtgeraakt, heeft zich losgemaakt van Golkar en dong in 2004 en 2009 vergeefs naar parlementszetels. De PP bestaat nog steeds en de man die er al veertig jaar leiding aan geeft, Yapto Soerjosoemarno, treedt op in de film.

In Indonesië is Oppenheimers documentaire nog niet te zien, maar de trailer trekt op YouTube tientallen duizenden kijkers en de landelijke pers besteedt er veel aandacht aan. Zoveel dat Anwar begin deze maand een persconferentie gaf in het regionale kantoor van de PP in Medan. Daar beweerde hij te zijn ‘bedrogen’ door Oppenheimer. De afspraak was, zei hij, dat de film pas na Anwars dood zou worden uitgebracht. Hij voelt nattigheid.

‘The Act of Killing’ – de Indonesische titel is Jagal (‘Slager’) – heeft ook de aandacht getrokken van wetenschappers. De historicus Asvi Warman Adam is als onderzoeker verbonden aan het Indonesische Instituut van Wetenschappen (LIPI). In de jaren 2003-2008 verzorgde hij een rubriek in Kompas, de grootste landelijke krant, waarin hij episodes uit de moderne Indonesische geschiedenis behandelde die tijdens de Nieuwe Orde waren herschreven of onder het politieke tapijt waren geveegd. Onder andere het massale geweld van 1965-’66.

Begin oktober schreef Adam in het weekblad Tempo: ‘Sinds het begin van de Reformasi [het hervormingstijdperk dat begon na de val van Soeharto in 1998] zijn getuigenissen van slachtoffers en nabestaanden van ‘1965’ talrijk en makkelijk te krijgen. Maar bekentenissen van de moordenaars zijn nog steeds heel zeldzaam. In deze film geven zij toe gemoord te hebben en vertellen ze ook hoe ze daarbij te werk gingen. Zij hebben er geen spijt van, want, zeggen zij, ze deden dit met mensen die niet in God geloofden. Deze documentaire is een mijlpaal.’

Een historicus die zich heeft toegelegd op de rol van gangsterdom en geweld in de Indonesische geschiedenis is Robert Cribb, hoogleraar aan de Australian National University (ANU). Hij promoveerde op een dissertatie over de rol van de Jakartaanse onderwereld in de Indonesische Revolutie van 1945-’49 en publiceerde in 1990 het eerste bronnenoverzicht over de massamoorden van 1965-’66. Van ‘The Act of Killing’ heeft hij alleen de trailer gezien, maar hij heeft wel de recensies gelezen die verschenen na de vertoning op het filmfestival in Toronto, begin september.

“De film,” zegt Cribb, “snijdt een aantal interessante kwesties aan. Allereerst gaat hij in tegen de tendens van de laatste jaren om de moorden op conto te schrijven van het Indonesische leger. In deze visie heeft het leger de moorden toegestaan en aangemoedigd, maar niet zelf begaan. Dit is een terugkeer naar de oudere opvatting dat veel Indonesische burgers vrijwillig deelnamen aan de slachtingen.”

Gevreesd

Cribb maakt deze kanttekening: “Ook de getuigenis van wie bekent dader te zijn is niet volledig betrouwbaar. Er zit waarschijnlijk een element in van aandacht trekken. Indonesië kent een lange traditie van lieden die graag zien dat anderen bang voor hen zijn. Beweren dat je in het verleden als een beest tekeer bent gegaan, is een effectieve manier om door vriend en vijand serieus te worden genomen. Zo weten we dat Sarwo Edhi Wibowo, de commandant van het Korps Speciale Troepen [dat in 1965 bloedig huishield onder communisten in Midden-Java], op zijn sterfbed ‘biechtte’ dat er drie miljoen mensen waren gedood. Terwijl alle bronnen wijzen op ongeveer een half miljoen. Misschien had hij berouw en overdreef hij de schaal van de moorden om de aanwezigen te doordringen van de gruwelijkheid van de gebeurtenissen. Maar het is ook mogelijk dat hij de geschiedenis wilde ingaan als de sleutelfiguur bij het vestigen van de Nieuwe Orde.”

Als het aandeel van burgermilities in de moordpartijen zo groot was, wat dreef deze mensen dan? Wraakgevoelens? Cribb: “Bij burgers speelde wraak geen rol, denk ik, daarvoor waren de vermoorde generaals niet populair genoeg. Ik denk eerder aan twee andere elementen. Er heerste het gevoel dat dit een beslissend moment was, dat de PKI de vijand was en dat al het mogelijke moest worden gedaan om te voorkomen dat de communisten aan de macht kwamen. In de tweede plaats leek de moord op de generaals – en hun beweerde verminking – te bewijzen dat de PKI het boze vertegenwoordigde. Hen uitschakelen was een morele opdracht. Hoewel de regeringen uit het hervormingstijdperk de beperkingen voor mensen die ooit banden hadden met de PKI hebben versoepeld, is de opvatting nog steeds wijd verbreid dat die partij het kwaad zelve was.”

Er figureren verschillende prominente Indonesiërs in ‘The Act of Killing’. Zo is een hoge ambtenaar van het ministerie van Jeugd en Sport, Sakhyan Asmara, aanwezig bij de opnamen van de film in de film. Hij feliciteert de ‘acteurs’ en geeft adviezen om hun spel nog realistischer te maken. Cribb: “Rechtse politici gaan graag om met lieden die hebben meegeholpen bij de liquidatie van de PKI. Het is een beetje te vergelijken met de flirt van westerse politici met veteranen.”

Een andere bekende Indonesiër in de film is Jusuf Kalla, zakenman, ook na 1998 actief lid van Golkar en vice-president in de jaren 2004-2009. Hij roept een zaal met Pemuda Pancasila in camouflagepakken toe: ‘Ons land heeft mensen nodig zoals jullie, die dingen gedaan krijgen!’

Cribb is niet verbaasd: “Sinds de Nieuwe Orde leeft in Indonesië de opvatting dat je alleen succesvol kunt zijn door daadkrachtig, energiek optreden en dat je daarbij soms regels moet overtreden. Kalla’s openlijke waardering voor deze vechtersbazen is helemaal in die geest: geen sentimentaliteit, no-nonsense, macho.”

Tussen de filmbedrijven door laat Oppenheimer beelden zien van Anwar en zijn vrienden die nog steeds Chinese winkeliers afpersen in de straten van Medan.