Afrekening tussen de generaties Jongere in nood Dertigers hebben de zwaarste lasten

Ouderen zijn niet meer arm. Met hun kinderen gaat het minder. Ze lijden onder dure crèches, huizen onder water en stagnerende groei. Een partij voor dertigplussers is niet nodig als de politiek aandacht krijgt voor de benarde situatie waarin jonge gezinnen zich bevinden, betoogt Paul Schnabel.

IllustratieAngel Boligan

Voor hun eigen kinderen en kleinkinderen hebben opa en oma alles over, maar de gulheid wordt snel minder als de samenleving om een extra bijdrage vraagt in de vorm van meer belasting, een lager pensioen of een heffing voor de sociale zekerheid. ‘Ik heb lang genoeg mijn bijdrage geleverd’, heet het dan, en ook ‘ik heb al genoeg ingeleverd’. Ze denken dan aan het niet meegaan van hun pensioen met de stijging van de kosten van het levensonderhoud.

Veel 65+’ers hebben het ook echt niet breed. Toch heeft maar 3 procent een inkomen onder de armoedegrens, tegen 7 procent van de volwassenen en 11 procent van alle kinderen. Het hoogst is de armoede in eenoudergezinnen (22 procent) en bij mensen onder de 65 met een uitkering (29 procent).

Het merendeel van de 65+’ers heeft, behalve de AOW, ook nog een aanvullend pensioen. Dut is vaak niet meer dan een paar honderd euro, maar gemiddeld ligt het inkomen van de ouderen toch duidelijk boven dat van de leeftijdsgroep van 25 tot 45 jaar. De helft van de gepensioneerden heeft ook een vermogen van meer dan honderdduizend euro. Ook van de bijna honderdduizend miljonairs is de helft de zestig al gepasseerd.

Het beeld in de samenleving is toch anders. ‘Oud’ en ‘arm’ worden nog altijd als bijna synoniem gezien – wat het in het grootste deel van de wereld ook nog steeds is. In Nederland is in de opbouw van de verzorgingsstaat juist voor de ouderen goed gezorgd. Er zijn ook nog allerlei korting-, en voordeelpassen speciaal voor ouderen. Bovendien hebben ouderen zelf hun belangen steeds goed weten te behartigen. Elco Brinkman (CDA) en Wouter Bos (PvdA) liepen politiek onmiddellijk schade op toen ze iets wilden afdoen aan de bijzondere positie en de financiële begunstiging van ouderen.

Het is logisch dat ouderen goed op hun belangen letten. De terugkeer naar de arbeidsmarkt is voor hen bijna onmogelijk, al werken inmiddels meer dan 130.000 ouderen ook nog door als ze de 65 zijn gepasseerd. De meesten van hen hebben een eigen bedrijf of werken in een vrij beroep. Anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten zijn maar weinig mensen gedwongen te blijven werken, omdat ze geen of weinig pensioen hebben. Van de 1.500 miljard euro in de pensioenfondsen van de eurozone is 850 miljard voor de Nederlandse gepensioneerden, die ook privé nog eens zo’n 400 miljard opzij hebben gelegd.

Met de kinderen van de gepensioneerden gaat het minder florissant. Vooral jonge gezinnen merken de gevolgen van de recessie. Meer dan 60 procent heeft een eigen huis, meestal gekocht na 2000 en dus belast met een ten opzichte van de tegenwoordige waarde te hoge hypotheek. De kinderopvang is de laatste jaren fors duurder geworden. Ook verder zijn er veel akelig vaste lasten, variërend van de premie voor de AOW van hun ouders tot de zorgverzekeringspremie tot de energierekening en de hoger wordende eigen bijdragen. Zolang beide partners volgens plan hun deel aan het gezinsinkomen kunnen leveren, lukt het meestal wel om de eindjes aan elkaar te knopen. Minder werk, tijdelijk werk en werkloosheid kunnen dit snel erg moeilijk maken.

Op een vaste aanstelling hoeven de meeste jonge werknemers niet te rekenen, maar inmiddels neemt ook het aantal tijdelijke banen af. Wie nu 35 is en zijn baan verliest, zal binnen een jaar al in de bijstand kunnen terechtkomen. Dit betekent armoede. Zelfstandigen zonder personeel – en daar zijn er honderdduizenden van – merken al zeker twee jaar dat hun opdrachtenportefeuille in uren en geld kleiner wordt.

Voor iedereen die maandelijks minder op de bankrekening ziet verschijnen, slinkt vooral het vrij besteedbare inkomen. De vaste lasten worden niet minder en in geval van minder hypotheekrenteaftrek zelfs hoger. Een op de drie huwelijken en meer dan de helft van de samenlevingsrelaties houdt geen stand. De tijd dat men relatief gemakkelijk uit elkaar kon en de winst van het verkochte huis kon verdelen, is echt voorbij.

Nu al zijn het niet de dertigers die voor de zestigers zorgen. Het zijn de zestigers die voor de dertigers zorgen, en vaak ook nog voor de tachtigers en negentigers. De vraag is of de zestigers dit nog meer moeten doen, gezien de benarde financiële positie van veel dertigers.

De positie van die dertigers krijgt overigens nog weinig aandacht. Dertigers zijn slecht georganiseerd en organiseren zich ook niet graag. Ze zijn meestal geen lid van een vakbond en al helemaal niet van een politieke partij, en hebben geen lobby voor hun belangen.

Tot een gevecht met de generatie van de ouders zal het niet komen, zoals de ouders zich niet verenigen tegen de kinderen, maar eerder tegen de overheid of hun vroegere werkgever. In families gaat het goed tussen de generaties. De verhoudingen tussen grootouders, hun kinderen en kleinkinderen zijn beter dan ooit. Grootouders steunen de gezinnen van hun kinderen vaak financieel – het omgekeerde is vrijwel nooit nodig – en zijn ook verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de kinderopvang. Als ze een vermogen of een eigen huis hebben, willen ze dat het liefst nalaten aan hun kinderen, al zijn die tegen die tijd zelf ook al vaak een jaar of zestig.

Te gemakkelijk wordt gedacht dat voor de jongeren met de leeftijd ook het inkomen wel zal stijgen, maar zo vanzelfsprekend is dit niet meer. Daarom schreef ik vorige week in De Telegraaf: „Er is in dit land meer behoefte aan een 30-plus- dan aan een 50-pluspartij.”

De dertigers zullen zo’n 30-pluspartij niet oprichten en dat hoeft ook niet, als er in de politiek wat meer aandacht komt voor de benarder wordende positie van veel jonge gezinnen.

Paul Schnabel is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.