Is de Amerikaan nu beter af?

Hoe meet je de economische ontwikkelingonder president Barack Obama? De crisisschade is nog lang niet ingelopen.

Nog anderhalve week te gaan en de Amerikanen beslissen over hun president en de samenstelling van het Congres. Een van de belangrijkste vragen, die door de campagne van de Republikeinse kandidaat Mitt Romney begin september nieuw leven werd ingeblazen, is dezelfde die Ronald Reagan in 1980 stelde aan de kiezer toen hij het opnam tegen de zittende Democraat Jimmy Carter: „Bent u beter af dan vier jaar geleden?”

Zelden was die vraag in Amerika moeilijker te beantwoorden dan nu. Er kan worden gemeten in inkomen, vermogen, werkgelegenheid en bedrijfswinsten. Maar de vraag is of zo’n meting op dit moment wel te objectiveren valt. Die moeite wordt overigens nauwelijks gedaan. In de Amerikaanse media ging het er vooral over hoe de Obama campagne met de Are you better off-vraag omging, hoe het Romney-kamp daar weer op reageerde en zo verder. Fact free, zoals dat al een tijdje heet.

De feiten zijn lastig. Er zijn meer werklozen, maar het werkloosheidspercentage is weer gezakt tot het niveau waarop Obama begon. Dit komt onder meer door een stijging van het aantal banen met 325.000. Het mediane inkomen is 2 procent hoger dan toen en de particuliere schuldquote is met meer dan tien procentpunten van het inkomen gezakt. De staatsschuld per Amerikaan is daarentegen met bijna een derde gestegen.

Beter dan feiten voor en tegen te verzamelen, is de analyse van de crisisjaren zelf. Voor president Obama geldt in principe dezelfde wetmatigheid als voor elke nieuwe regering: je kunt het eerste half jaar de schuld blijven geven aan je voorganger, maar daarna wordt toch echt jouw probleem. Daar staat tegenover dat dit – anders dan de recessie waarin Carter in 1980 verzeild raakte, en de conjunctuurdip die de Republikein George Bush senior in 1992 parten speelde – geen doorsnee-recessie is.

De wereld was tot nu toe vooral gewend aan recessies die ontstonden uit oververhitting, oplopende inflatie en de noodzaak die centrale banken zagen om de toenemende uitbundigheid met een oplopende rente de kop in te drukken.

Van de Westerse landen had alleen Japan tot nu toe ervaring met wat een ‘balans-recessie’ wordt genoemd. Uit de hand gelopen vastgoedprijzen, oplopende schulden in het bancaire systeem én bij burgers en bedrijven vergen een veel langduriger herstelproces dan een ‘huis-tuin-en-keukenrecessie’. Het verminderen van de hefboomwerking van die schulden (de ‘leverage’) in de economie levert het werkwoord op dat de hardnekkige problemen weergeeft: de-leveraging.

De onderliggende vraag in de campagne zou eigenlijk moeten zijn: bent u beter af dan na vorige recessies? Het antwoord daarop is negatief. Hoe de crisis van nu zich verhoudt tot eerdere economische neergangen werd deze week goed gedocumenteerd door de Amerikaanse Citibank. Die nam de data van de afgelopen veertig jaar en vergeleek de huidige recessie daarmee. Het economische dieptepunt van de kredietcrisis wordt gesitueerd in het tweede kwartaal van 2009: een kwartaal na het officiële aantreden van Obama. Normaal zou de economische groei nu, 3,5 jaar later, 4 procent bedragen. De werkelijkheid geeft een economische groei van 2 procent. Dat betekent dat de economie de schade nog niet heeft ingelopen. Na een gangbare recessie zou de economie al weer bijna even veel produceren als de productiecapaciteit toestaat. Nu is deze ‘output gap’ nog steeds zes procent.

De staatsschuld zou normaal met maar 12 procent zijn opgelopen, tegen bijna 30 procent nu. Dat weerspiegelt de afbouw van particuliere schulden: gezinnen hebben schuld afgebouwd, waar zij na een normale recessie juist schuld zouden hebben toegevoegd. Bedrijven zouden nu een schuldquote hebben gehad die vergelijkbaar was met het dieptepunt van de recessie, maar ook die hebben hun schulden met 5 procent verminderd. Die schuldafbouw gaat samen met een enorme correctie van de vastgoedprijzen: de waarde van woningen is nog lang niet terug op het oude niveau, terwijl hij tijdens normale recessie met zo’n zes procent per jaar zou zijn gestegen.

En de consumptieve bestedingen? Die zijn nu weliswaar 7 procent hoger dan bij zijn aantreden, maar bij een normaal herstel zou dat het dubbele zijn geweest. Dat weerspiegelt vooral de werkgelegenheid: na normale recessies zou die nu 6,5 procent zijn geweest, tegen 7,8 procent nu.

In de unieke kwaliteiten van de kredietcrisis zit Obama’s grote zwakte, en tegelijk is het zijn beste verdediging. Dat maakt het antwoord op de ‘bent u beter af’-vraag zo lastig. Ja, de Amerikaanse economie had er een stuk beter voor moeten staan dan nu. Maar van geen enkele president had misschien veel meer kunnen worden verwacht dan het resultaat dat er nu is. De verkiezingen gaan – wat de economie betreft – vooral over de vraag of de gemiddelde Amerikaan dat argument accepteert.

Vanaf morgen: NRC goes America, tien dagen bijlages over wat Amerika de wereld (nog) te bieden heeft.