Waarom staren we naar anderen of in de verte?

Iedereen doet het wel eens: ongegeneerd naar een ander staren. Of zomaar in de verte kijken. Waarom staren we, vraagt Huib Maclean zich af. En waarom heb je pas door dat je staart als je jezelf erop ‘betrapt’?

Het staren naar een persoon en het staren in de verte zijn „van een hele andere orde”, vertelt Bas Zwaan, hoogleraar erfelijkheidsleer aan Wageningen University. Bij het staren naar een persoon is er vaak sprake van intimidatie. „Dat voel je ook”, zegt Zwaan. „Wanneer iemand je aanstaart, is dat ongemakkelijk. Het is een soort gevecht zonder dat er wordt gevochten.” Dat zie je ook in de dierenwereld. Denk aan burlende herten of vogels die met hun veren pronken. Mensen zijn hierop geen uitzondering, stelt Zwaan: we staren naar potentieel gevaar om een gevecht te voorkomen.

Het kan ook dat je naar iemand staart omdat je die persoon interessant vindt, zegt Hans van de Braak. Hij is universitair hoofddocent evolutionaire psychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Dat kan een potentiële partner zijn, maar ook iemand die we willen imiteren.”

Apen staren ook, vertelt Van de Braak. „Ze kunnen heel erg gefascineerd raken door een object. Andere apen volgen die starende blik om erachter te komen of er misschien voedsel is.” Veel roofdieren fixeren hun ogen ook, op een prooi. „Dat is evolutionair belangrijk, om aan eten te komen”, zegt Van de Braak.

Staren naar een persoon of object heeft dus een evolutionaire functie: het is onderdeel van intimidatie, het zoeken naar een partner, en het vinden van eten. Maar hoe zit het met staren in de verte? „Dat is eerder een bijverschijnsel”, denkt Zwaan. „Je staart in de verte als je in gedachten verzonken bent – dan moet je toch ergens naar kijken.” Maar soms is in de verte staren ook heel lekker, hoe kan dat dan? „Het zou een vorm van cerebrale ontspanning kunnen zijn”, denkt Zwaan. „Je hersenen hoeven dan even helemaal niets te doen.”

Dat je jezelf ‘betrapt’ op het staren heeft volgens Van de Braak met concentratie te maken. „Je bent zo gefascineerd dat je niet toekomt aan reflectie. Die overgave kan nuttig zijn als je bijvoorbeeld je prooi niet uit het oog wilt verliezen.” Wanneer die ‘prooi’ dan ineens geïrriteerd terugkijkt, is het wel even schrikken.

Ook een vraag voor deze rubriek? Mail naar vraag@nrc.nl