Verleidelijke vrouwen ‘ ’ gantz und gar entblöst

In 1722 ontdekte de Zeeuw Jacob Roggeveen Paaseiland. Het eiland en veel meer werden door een expeditielid bezongen in een episch gedicht, waar niemand naar omkeek tot historicus Roelof van Gelder er op stuitte.

Titelblad van het gedicht van expeditielid Carl Friedrich Behrens over de reis naar Paaseiland.
Titelblad van het gedicht van expeditielid Carl Friedrich Behrens over de reis naar Paaseiland.

Het leek een droom. Een zonovergoten strand, verheugde eilandbewoners in felrode en witte kleding over hun getatoeëerde huid. Verentooien op het hoofd, platte, blinkende schelpen in de uitgerekte oorlellen. Vrijmoedige vrouwen, een vader die met palmblad in de hand zijn dochter aan komt bieden. Een overvloed aan voedsel. Wat wil een uitgeputte scheepsbemanning nog meer?

Het overkwam korporaal Carl Friedrich Behrens die in de ochtend van 10 april 1722 met 130 soldaten en matrozen voet aan wal zette op Paaseiland. Het waren opvarenden van een vloot van drie schepen, onder commando van Jacob Roggeveen die op zoek was naar een groot continent. Dat moest ergens liggen in die onmetelijke oceaan.

Een droom – zo beschrijft Behrens deze paradijselijke dag dan ook in zijn epische gedicht Reise nach den unbekandten Süd-Ländern und rund um die Welt. Het telt 900 regels en is een uiterst zeldzame, nooit eerder bestudeerde tekst over Roggeveens reis, gepubliceerd in 1728 in Frankfurt en Leipzig.

Tijdens mijn onderzoek naar het leven van de Zeeuw Jacob Roggeveen ontdekte ik het gedicht in de universiteitsbibliotheek van Regensburg. Het is het vroegste verslag van de expeditie en bevat de oudste regels die gewijd zijn aan Paaseiland, het meest afgelegen bewoonde eiland ter wereld.

Carl Friedrich Behrens, een avonturier uit Rostock, had zich op 21-jarige leeftijd in Amsterdam aangemeld voor Roggeveens expeditie. Hij was een beetje een opschepper, maar in ieder geval iemand die onvoorwaardelijk geloofde in het Zuidland waar goud, zilver, parels en diamanten voor het oprapen moesten liggen. Behrens is geen Homerus, maar we hebben hier wel te maken met een van de zeldzame gevallen dat een man van eenvoudige komaf het moeizame leven op zee bezingt. Beeldend en met bittere ironie, schermend met zijn kennis van de klassieken beschrijft Behrens de verschrikkelijke reis die hij zo hoopvol begon „in des Columbi Spur”.

Aanvankelijk verliep de reis voorspoedig. De schepen staken de Atlantische Oceaan over, passeerden Kaap Hoorn, zeilden langs de kust van Chili en koersten van daar westwaarts. Maar wat ze ook zagen, geen Zuidland. Paaseiland was een toevalstreffer.

Daar is de ontvangst gastvrij, ook al hebben een paar onbezonnen soldaten bij de landing enkele inwoners doodgeschoten. Roggeveen en zijn mannen bewonderen het land, de kleding en de tatoeages van de bewoners („Gantz kunstreich waren sie an ihren Leib gemahlt”), en stonden versteld over de metershoge beelden. De bewoners boden bananen, zoete aardappelen, kruiden, knolgewassen en kippen aan, een bewijs dat de Paaseilanders hun eigen ecosysteem niet hadden vernietigd. Jared Diamond beweerde in zijn boek Collapse in 2005 het tegendeel. Paaseiland gebruikte hij daarbij als handzame metafoor voor de gehele aarde. Het eiland was weliswaar ontbost, maar de bewoners hadden zich vernuftig op nieuwe manieren van voedselproductie toegelegd, zoals ook beschreven is door de Nederlandse bioloog Jan J. Boersema in zijn boek Beelden van Paaseiland (2011).

Gefascineerd waren de mannen door de vrijmoedigheid van de vrouwen: „Sie wiesen hin und her auf ihre Häuser zu, / Ihr Auge lockte uns dorthin zur geilen Ruh”. Behrens was daar niet ongevoelig voor maar riep de winden aan om hem toch maar snel naar Europa te voeren, terug naar zijn kuise huwelijksbed.

Na het afscheid ging het verder westwaarts. Maar nergens zag men ook maar een spoor van dat grote continent. Wel eindeloos veel eilandjes. „Die Insuln schlossen uns von allen Seiten ein /Und jeder Felsen wolt’ uns schier ein Grabstein seyn.”

Een van de schepen kwam vast te zitten op een atol en ging verloren. Vijf opvarenden bleven achter en zouden daar volgens Behrens zeker zijn vermoord. Eigen schuld, meende hij: „Sind sie von Wilden nun ergriffen und verzehrt /So haben sie sich selbst zu ihren Grab gekehrt.”

Het ergste moest toen nog komen. „Die Sonne schien zu heiß, die Reise war zu lang, / da auch die Hungers-Noth auf allen Seiten drang.” De dorst was ondraaglijk. Het vlees stonk als de pest. In het voedsel wemelde het van de wormen, de gort was bedorven, de erwten waren zo hard als steen, de stokvis lag er bij als drek en het beschimmelde brood ontnam de matrozen de laatste krachten. Vele regels wijdt Behrens aan de scheurbuik: „Er greifft des Menschen Leib mit spitzen Zähnen an” en kruipt door de aderen als een worm. Dagelijks stierven er mannen.

Toen ze een nieuw paradijselijk eiland bereikten (Makatea) en aan land gingen om voedsel te zoeken, werden ze ook daar geconfronteerd met verleidelijke vrouwen die „gantz und gar entblöst” voor hen dansten. Ze werden uitgenodigd voor verder vertier op een hoge berg. Daar wachtte de mannen een regen van stenen waardoor ze halsoverkop het eiland moesten verlaten.

Roggeveen leidde zijn schepen met grote moeite de Stille Oceaan over en bereikte, via Nieuw-Guinea en de Molukken, Batavia. Terug in Europa constateerde Behrens dat hij in twee jaar 12.000 mijlen had afgelegd „bey vielem hertzenleid”.

Vijf jaar na terugkeer, in 1728, publiceerde hij zijn Reise. De Württembergische Landesbibliothek Stuttgart en de Universitätsbibliothek Regensburg hebben hun exemplaren inmiddels via hun online catalogus beschikbaar gesteld.

Carl Friedrich Behrens kon het Zuidland niet uit zijn hoofd zetten. Hij meldde zich bij de VOC met een kant en klaar plan voor een nieuwe expeditie. Vergeefs. Later publiceerde hij nog een verslag van de grote expeditie, maar nu in proza. Hij vestigde zich in Neurenberg als kruidkoekbakker waar hij nog tot zijn dood bleef dromen van het Onbekende Zuidland.

Pas een halve eeuw na Roggeveens expeditie zou James Cook vaststellen dat het Zuidland niet bestond.

Roelof van Gelder: Naar het aards paradijs. Het rusteloze leven van Jacob Roggeveen (1659-1729), ontdekker van Paaseiland. Uitg. Balans, 336 blz. Prijs €29,95