Separatisme dankzij machtig Europa

Rijk betaalt niet graag voor arm. Althans, niet uit zichzelf en zelden zonder morele of politieke overreding. Dit patroon wordt sinds het uitbreken van de eurocrisis zichtbaar. Zoals het ‘ordentelijke’ Noorden in Europa niet wil opdraaien voor het ‘potverterende’ Zuiden, zo groeit ook binnen nationale staten het verzet van de rijkere regio om de armere nog te subsidiëren. Op alle niveaus gaat deze weerstand gepaard met sociaal-culturele en politieke argumenten die teruggrijpen op de oertijd van de natievorming. Talloze financiële, taalkundige of historiserende motieven spelen een rol in het discours over de vraag of en hoe verscheidene gemeenschappen nog bij elkaar horen.

De tactische vorm voor deze kwesties verschilt. In België hebben Vlaamse kiezers vorige week, met hun stem op de N-VA van de confederalist Bart De Wever, een tijdbom onder de Belgische staat gelegd. In Catalonië kunnen de regionale verkiezingen van 25 november voor Spanje eenzelfde effect hebben – zeker als die worden gevolgd door een referendum dat de overheid in Madrid wil verbieden. In Engeland pakt de regering het Schotse separatisme minder aangebrand aan. Premier David Cameron heeft ingestemd met een plebisciet in 2014 over de onafhankelijkheid van Schotland.

Ondanks de verschillen is de trend vergelijkbaar: de regio’s willen zich ontworstelen aan de voogdij van de centrale staat, zeker als ze vinden dat er van hun welvaart wordt geprofiteerd.

Dit soort spanningen is onlosmakelijk verbonden met staatsvorming en golft mee met de sociaal-economische verschuivingen binnen de Staat. Denk aan België. Wallonië was daar anderhalve eeuw het industriële trekpaard, maar legt het in de diensteneconomie af tegen Vlaanderen.

Zulke spanning is overigens geen fenomeen dat zich beperkt tot het buitenland. Het is nog maar veertig jaar geleden dat Den Haag behoorlijk benauwd was over de opkomst van Fré Meis en andere communisten in Groningen. Militante agitatie was in het noorden al een ouder fenomeen. Maar door de vondst en exploitatie van aardgas kreeg dit regionale radicalisme een realistischer karakter. Het Rijk kwam de provincie tegemoet: met investeringen van staatswege. Tezelfdertijd gebeurde dat in Limburg.

Het verschil is dat regionalisme, al dan niet uitmondend in separatisme, nu kan gedijen onder de supranationale paraplu van Europa. De risico’s van barsten in de eenheidsstaat zijn een stuk kleiner dan toen.

Dat is de paradox van het hedendaagse separatisme: het keert zich vaak tegen de centrale staat. Maar het kan dat alleen dankzij de supranationale machtsvorming in Europa.