Luide knallen jagen het mysterie weg

De beelden van Anish Kapoor zijn overal en ze vallen op. Denk maar aan zijn uitkijktoren bij de Olympische Spelen. Maar de inhoud vervlakt.

Anish Kapoor, ‘Shooting into the Corner’ (2008-2009)
Anish Kapoor, ‘Shooting into the Corner’ (2008-2009) Foto Peter Cox

Geen misverstand: de grote Anish Kapoor-tentoonstelling in De Pont in Tilburg is zeker het bezoeken waard – en niet alleen om het grote, volkomen realistische kanon, waarmee elk half uur met een oorverdovende knal een groot blok vette rode was tegen een witte muur wordt geschoten. Kapoor is op dit moment ongetwijfeld een van de belangrijkste kunstenaars ter wereld. Zijn grote, abstracte, spiegelende, verleidelijke beelden zijn zeer serieus en weloverwogen, maar Kapoor slaagt er tegelijk in ze als een ware kunstpopularisator over de hele wereld te verspreiden (zo is zijn Cloud Gate in Chicago al een moderne klassieker en kreeg zijn Orbit onlangs nog een ereplek op de Olympische Spelen in Londen). Ook bezorgt hij er zijn publiek opvallend veel plezier mee – in De Pont zie je bezoekers lachen, zich verbazen en schrikken als dat rotkanon weer afgaat. Bovendien duurt het bij een kunstenaar van deze reputatie vast weer jaren voor er in Nederland een nieuw overzicht van zijn werk te zien zal zijn.

Alleen, hoe langer je hier rondloopt, hoe meer je je afvraagt: wat wil Kapoor eigenlijk nog?

De voorzet tot die vraag wordt gegeven door het museum. In een muurtekst meldt De Pont trots dat Kapoor al in 1992 bij de opening van het museum in de collectie werd opgenomen en dat hij er al snel daarna een solo-expositie kreeg. Inderdaad hangen en staan er op de expositie vier werken uit de collectie, allemaal van rond dat jaar. Daarbij zit de De Pont-klassieker Descent into Limbo, een afgescheiden kamertje waarin een zwarte fluwelen cirkel op de vloer lijkt te liggen – in werkelijkheid is het een onpeilbaar diep gat, bestreken met zuigend, donkerblauw pigment. Ook hangt op de expositie het ogenschijnlijk simpele When I am Pregnant (1992), een dikke bult die heel gelijkmatig, bijna stiekem, uit een witte gipsen wand lijkt te zijn gegroeid. Dit beeld is in De Pont wel vaker te zien, maar toch valt bij een hernieuwde confrontatie meteen weer op hoe goed het is: juist doordat de bult gelijkmatig maar niet perfect naar buiten stulpt, ziet het werk er heel organisch, natuurlijk uit. Bovendien weet het licht maar geen vat te krijgen op de bult, waardoor je oog voortdurend blijft tasten en zoeken – zodat When I am Pregnant niet alleen gaat over onbeheersbaarheid en groei, maar je ook het gevoel geeft dat je er elke keer weer nieuwe dingen in kunt zien. Dat geldt trouwens ook voor het (Untitled)-beeld ernaast: een diepe bak van fiberglas, bestreken met uiterst fragiel, diepblauw pigment. Om je diep in te verliezen.

Deze verleidelijkheid, in combinatie met onzekerheid, was in die vroege jaren overigens niet de enige kracht van Kapoor. Wat zeker zo bijzonder was, was dat hij de taal van de abstracte modernistische beeldhouwkunst leven en mysterie wist in te blazen. Abstract, kaal en toch ongrijpbaar. En precies daar gaat het nu mis. Het zal ongetwijfeld door de tijdkloof komen (tussen de laatste ‘oude’ werken op de expositie en het meeste nieuwe schuilt zo’n vijftien jaar), maar wie eerst Descent into Limbo en When I am Pregnant ziet en daarna de rest van de expositie, beseft dat Kapoor de afgelopen jaren alle mysterie uit zijn werk heeft laten glippen. Natuurlijk, hij is een intelligente beeldhouwer, die met behulp van een soort betonpoepmachine expres lelijke beelden gaat maken en die zijn werk nog steeds vol stopt met kunsthistorische verwijzingen (zo is zijn ‘gebogen spiegel’ S Curve (2006) een geestig commentaar op de ijzeren platen-curves van Richard Serra). Maar de ongrijpbaarheid is weg.

Dat zie je vooral aan de spiegelwerken die het ‘middenplein’ van De Pont vullen. Het is wel ongeveer duidelijk wat Kapoor ermee wil: hij laat zien dat een spiegel nooit ‘af’ is, dat spiegelende beelden zich voortdurend aanpassen aan hun omgeving en dat de toeschouwer die naar zo’n beeld kijkt door zijn weerspiegeling in wezen zijn eigen beeld ‘maakt’. Dat klinkt intelligent, maar in de praktijk is het effect dat de meeste toeschouwers de beelden als lachspiegels gebruiken (Hé, ik sta op m’n kop! Hé ik ben drie meter!) – en verder niets. Natuurlijk, dat is lachen, dat is leuk, maar het is ook pijnlijk kortstondig.

Zo gaat het voortdurend: de beelden zijn onwaarschijnlijk ambachtelijk en perfect gemaakt, je ziet dat Kapoor de geschiedenis van de (modernistische) kunst goed in zijn vingers heeft, maar het is net of je staat te kijken naar de recente productie van een innovatieve, goed geoutilleerde, maar zielloze beeldenfabriek. Alles klopt, maar hoe langer ik om de recente beelden heen draaide, hoe dieper het verlangen werd naar de ongrijpbare duisternis van Descent into Limbo of de zinderend lichte onbeheersbaarheid van When I am Pregnant. Precies dat verlangen te verdwalen, me te verliezen in zijn oude werk, lijkt Kapoor nu kwijt. Hij laat liever zijn kanon nog eens knallen – waarmee deze installatie een perfecte metafoor voor de hele expositie blijkt te zijn.

Anish Kapoor. T/m 27/1 in De Pont, Tilburg. Inl: www.depont.nl