Indiaanse zomer

Pia de Jong is met haar man Robbert Dijkgraaf en kinderen van Amsterdam naar Princeton verhuisd, en schrijft daar wekelijks over.

Weer keert het najaar en het najaarsweer, maar hier nog even geen donderbuien en grijze wolken. De bomen kleuren deze dagen dieprood, donkerpaars, knaloranje en goudgeel. De zon, die opeens volop schijnt, doet alle bladeren gloeien. We bevinden ons in een sprookjesland, een wonderwoud, een Technicolor Disneyfilm. Jazeker, de bomen zullen ook hier kale staketsels worden, metgezellen in donkere, korte dagen waarin we onze kragen zullen opzetten tegen de kou, onze handen diep in de zakken van onze winterjas gestoken. Ook hier vallen de bladeren met de onvermijdelijkheid van een natuurwet, maar niet voor ze nog één keer vlammen. Zoals de primaballerina die na een succesvolle carrière ten afscheid de sterren van de hemel danst, de acteur die de glansrol van zijn leven voor het laatst perfect neerzet. Daarna dwarrelen ze met zoveel tegelijk naar beneden, dat het met half dichtgeknepen ogen lijkt of het sneeuwt.

Vanochtend werd ik wakker van zonlicht dat fel in mijn ogen scheen. Het had de afgelopen week al gevroren, maar nu was het plotseling weer warm. Kanikeenkortebroekaan.nl, de site die mijn kinderen in Nederland steevast raadpleegden voor ze op de fiets stapten, zou hier een zwembroek adviseren. Eind oktober is het, en zowaar rokjesdag.

Indian summer noemen ze dit vreemde verschijnsel hier.

Waar het begrip vandaan komt, is onduidelijk. Een politiek incorrecte theorie is dat het te maken heeft met de verwarring van de eerste settelers. Deze Europeanen, de eerste nachtvorst al achter de rug, maakten zich op voor de winter en opeens was daar die aangename warmte. De seizoenen leken de andere kant op de gaan. Men kreeg de lente in de bol. Het zaaigoed werd uitgestrooid, bollen geplant. En net toen het werk gedaan was, kwam de kou. Een winter, veel strenger dan ze gewend waren, die alles deed bevriezen. Indian verwijst hier naar de Indianen. Onbetrouwbaar volk, dat je een gemene streek levert in de vorm van een namaakzomer.

Maar wij weten beter, en willen van deze toegift genieten. Helaas, zoals mijn leraar Duits in de brugklas op het schoolbord schreef: Des Lebens ungetrübte Freude wird keinem Sterblichen zuteil. Amerikanen kunnen niet leven met gevallen bladeren. Ze zijn hun een doorn in het oog. Gras moet te zien zijn, het asfalt van de wegen mag niet aan het oog onttrokken worden. En dus gaan ze en masse de paden op, de lanen in met blaadjesblazers. Dit zijn een soort omgekeerde stofzuigers, apparaten die je op je rug bindt, en die met kracht de bladeren van de aarde optillen en naar voren stuwen. De blaadjesblazende mannen - een vrouw heb ik dit werk nog niet zien doen - zwaaien met verbeten blik wild om zich heen met de blaastuit, totdat al dat moois op hoge bergen ligt. Dit alles maakt zo’n herrie, dat ze koptelefoons dragen om niet gek te worden. Zij wel.

Waarom zien ze niet in dat ze een bij voorbaat verloren strijd tegen de elementen voeren? Blaadjes vallen, omdat het nu eenmaal in de aard van blaadjes ligt om in de herfst te vallen, roep ik. Maar mijn geschreeuw dringt niet door de oorbeschermers heen. Oktober is hier niet alleen de mooiste maand, het is ook de luidruchtigste.

’s Avonds, als de apparaten zijn uitgeraasd, als de gazonnen groen glanzen in het avondlicht, trekken we erop uit. We zijn niet de enigen. Buurtkinderen rennen met rubberlaarzen door de bladerhopen, laten zich erin vallen alsof het sneeuw is en gooien de bladeren met twee handen de lucht in. Honden rennen ravottend rond. De zon dooft, er hangt een lage mist. Ik snuif de mossige, kruidige geur van de aarde op. Dan, opeens komt er een harde windvlaag die alle blaadjes weer de tuinen injaagt.