Opinie

Grootouders van nu

Chat tegen middernacht tussen mijn vrouw en een vriendin.

Vriendin: „Net gearriveerd. Vandaag op Finn gepast. Zo sneu. Hij had geen stem vanwege verkoudheid en keelpijn. Ondanks alles toch een lieve lach.”

Mijn vrouw: „Zo klein en zo ziek! Net belde Sandy: was bang dat Glenn morgen ziek zou zijn. Of hij dan naar mij kan. Zij kan zelf geen vrij nemen door drukte op haar werk. Natuurlijk kan dat, kan hij lekker ziek zijn hier op de bank!”

Vriendin: „Donderdag pas ik op Lotte en zondag ook. Voor je het weet zit je er midden in. En dan toch blij dat we mogen! Dubbel toch?”

Moderne grootmoeders – never een rustig moment. Is dat wat ze willen? Ja en nee dus.

Die chat is van vorige week, juist op de dag dat een boek uitkwam met de titel Opa’s en oma’s van nu, geschreven door Erna van den Berg en Henriette Klautz. Er staat ook een (oude) column van mijn hand in, maar omdat ik niet in de royalty’s deel, hoef ik niet meteen vergeleken te worden met Jos van Rey, Ton Hooijmaijers en andere belangenverstrengelaars.

Het boek bestaat vooral uit gesprekken met bekende (o.a. Guus Luijters, Cherry Duyns, Gerdi Verbeet en Mensje van Keulen) en onbekende grootouders van Nederlandse bodem. Zij vertellen over de relatie met hun kleinkinderen en die met hun eigen grootouders.

Daarin is in de loop der jaren nogal wat veranderd. Er zijn grote individuele verschillen, maar vrijwel iedereen blijkt nu veel meer contact met de kleinkinderen te hebben dan vroeger met de grootouders. Daarover worden behartigenswaardige dingen gezegd, zoals door Freek de Jonge: „Mijn grootouders herinner ik me alleen als hele oude mensen. In de familieverhouding is veel veranderd. Er was ontzag voor de grootouders, hoe weinig je ze ook zag. Van echt contact en gevoelens van liefde was geen sprake.”

Dat herken ik. Mijn grootouders zag ik een, twee keer per jaar, ze woonden op twee uur rijden – een aanzienlijke afstand in de jaren vijftig, al had mijn vader ‘een auto van de zaak’ (Volkswagen). Ze ontvingen je hartelijk, maar er was en bleef afstand - je was er op visite. Van ‘oppassen’ kon door de geografische kloof geen sprake zijn, maar dat zal ook minder dan nu zijn gebeurd in families waar men dichter bij elkaar woonde. De moeders zaten immers thuis.

Hoe ondergaan de grootouders van nu de gewijzigde verhoudingen? Dat is impliciet het belangrijkste thema van Opa’s en oma’s van nu. Het is geen verrassing dat de liefde voor het kleinkind overheerst, maar er blijken wel duidelijke verschillen in de onvoorwaardelijkheid ervan. Schrijver Guus Luijters zegt: „Eindelijk weet je waarom je op de wereld bent: om grootouder te worden. Dat is de opzet van alles. Vanaf dag één heb ik een dagboek over Evie bijgehouden.”

Bij Mensje van Keulen en Jan Donkers kom ik ook die „speciale, onvoorwaardelijke liefde” tegen, maar bijvoorbeeld Duyns en Hedy d’Ancona tonen meer reserve. Ze gaan wel graag met hun kleinkinderen om, maar ze willen zichzelf niet te veel wegcijferen. „Wij zijn niet zo’n grote, warme Italiaanse familie”, zegt Duyns, „Joke zou dat wel willen, maar ik ben erg van de stilte.” En Hedy d’Ancona: „Maar dat er mensen zijn die in die kleinkinderen bijna nog meer opgaan dan in hun eigen kinderen, dat kan ik me niet voorstellen.”

Ik keek naar mezelf en zag me zweven, halverwege tussen Luijters/Van Keulen/ Donkers en Duyns/d’Ancona.