De molens en de schapen die Don Quichot aanviel

Als een razende stormt Don Quichot te paard op de molens af in het glooiende dal. „Al zwaaien jullie meer armen in het rond dan de reus Briareüs had, ik zet het jullie betaald!” schreeuwt hij. Quichot negeert de waarschuwingen van zijn schildknaap Sancho Panza, wimpelt hem af met „jij begrijpt niets van avontuur” en stort zich op de molens. Gehavend en met gebroken lans druipt hij even later af.

De molens die we onderweg in een huurauto in de Spaanse regio Castilla-La Mancha tegenkomen, staan er al eeuwen. De wieken van zo’n molen maken een zwiepend, suizend geluid. Ze moeten bedreigend hebben geklonken voor Don Quichot.

De avonturen van Don Quichot*, vierhonderd jaar geleden opgeschreven door Miguel de Cervantes, zie je zo weer voor je in het landschap van Castilla-La Mancha. Er passeren helblauwe stuwmeren, bergen en velden vol olijfbomen.

Puerto Lápice is het eerste dorp waar Don Quichot in de roman op afgaat. Het heeft een lange straat en een paar cafés. Een hotel staat nu op de plek van de herberg die Don Quichot in het boek aanziet voor een kasteel. In zijn eigen droomwereld maakt Don Quichot de waard uit voor kasteelheer, de hoeren voor dames, de slechte stokvis voor forel. De waard slaat hem uiteindelijk, na uren smeken, tot ridder.

Tegenwoordig is het interieur van het hotel huiskamerachtig. Er klinkt zachte flamencomuziek, buiten op de patio staan palmbomen. De eigenaar, Fernando Sanchez, vertelt over het Don Quichot-toerisme. Langs zijn hotel loopt een literair wandelpad, met 2.500 kilometer de langste literaire route van Europa. Sanchez heeft iets meer klandizie gekregen sinds de wandelroute er is. Want hoe groots de route ook is opgezet, nog maar weinigen maken gebruik van de paadjes.

Heeft de ‘waard’ wel eens een verdwaasde toerist tot ridder geslagen? De oude man, lachend: „Nee hoor, Don Quichot-toeristen zijn erg rustig.”

In het zuiden van Castilla-La Mancha ligt de Sierra Morena. Er is bijna niemand op de wegen, de bergen zijn ruig, schapen staren ons kauwend aan vanaf de heuvels. Die schapen heeft Don Quichot eens aangezien voor een leger. „Laat mij ten strijde trekken!” roept hij, terwijl Sancho nuchter vaststelt dat er niemand te bekennen is. „Hoor je dan niet het paardengehinnik en trompetgeroffel?” vraagt zijn baas. „Nee, het enige wat ik hoor is een heleboel geblaat”, stamelt Sancho. Het loopt af als de meeste gevechten die Quichot voert: hij komt er geradbraakt en gebroken uit.

In het zuidelijker dorp El Toboso schijnt de felle zon op het standbeeld van Don Quichot en zijn gedroomde geliefde Dulcinea van El Toboso. Haar ouderlijk huis staat in dit dorp, tegenwoordig een museum. Het ruikt er naar de zestiende eeuw: wijnkruiken, turf, oude sherry, hout en koper. Hier werd Don Quichot afgeranseld door een student die ‘bovenop hem sprong, zijn scheerbekken van zijn hoofd nam en hem daarmee drie of vier klappen op zijn rug gaf'.

De literaire route voor fietsers, ruiters en wandelaars is nog net met de auto begaanbaar. Tussen de velden met olijfbomen stuift het zand achter de auto op. Het lijkt of we net als Don Quichot en zijn knaap in galop moeten vluchten voor een bende rovers.