De ‘ja? Ben jij het?’-blik

Zodra ik in de hal sta te wachten op de onbekende man die me van het station komt oppikken, denk ik: oei, volgens mij zie ik eruit alsof ik hier sta te wachten om door een onbekende man van het station opgepikt te worden. Hij ziet er niet uit als iemand die door een onbekende

Zodra ik in de hal sta te wachten op de onbekende man die me van het station komt oppikken, denk ik: oei, volgens mij zie ik eruit alsof ik hier sta te wachten om door een onbekende man van het station opgepikt te worden.

Hij ziet er niet uit als iemand die door een onbekende man opgepikt gaat worden

Ik zal worden opgehaald door een man die me naar een lezing gaat brengen, iemand van de organisatie, maar ik heb geen idee hoe deze persoon eruit ziet – in alle zakelijke mails over aankomsttijden en programmaonderdelen is het me ontschoten om ook nog even te vragen: „Voor ik het vergeet: baardje? Gouden voortanden? Kipling rugtas met klein paars aapje eraan?” Nu heb ik daar nogal spijt van: elke man die voorbijloopt, staar ik onwillekeurig aan. Met die blik. Die onderzoekende, voorzichtige, maar ook hoopvolle ‘ja? Ben jij het?’-blik, een blik die je alleen maar kent van honden die naast de ingang van een supermarkt zijn vastgebonden en elke verlatende bezoeker vol verwachting aankijken om te zien of het hun baasje betreft, en van mensen die duidelijk al iets te lang aan het wachten zijn op hun blind date.

Ik probeer met mezelf een doelgroep af te spreken – iedereen die kuiert, een enorme rolkoffer voorttrekt of twee kartonnen kopjes koffie draagt, valt af – maar het gaat vanzelf.

Iets verderop staat een Turkse man in een leren jas. Ook hij staat te wachten, hij stond er al toen ik postvatte naast deze wafelkraam. Ik heb hem niet alleen de blik gegeven, hij heeft ook goed kunnen volgen hoe ik daarna alle andere mannen die voorbijliepen óók indringend aankeek. Af en toe denk ik te zien hoe hij vanuit zijn ooghoeken meewarig naar me kijkt.

Met iedereen oogcontact maken heeft twee duidelijke nadelen. Niet weten op wie je wacht, zorgt ervoor dat je een achterstand hebt op iedereen om je heen. Alle mensen die je aankijkt, weten het antwoord. Jij blijft maar als een debiel vragen. Daarbij is het goed mogelijk dat mijn ‘ja? Ben jij het?’-blik wordt opgevat als een open sollicitatie.

De scène die ik naast de wafelkraam een paar keer meemaak, gaat als volgt: ik kijk een langslopende man aan, hij kijkt langer dan normaal terug, ik realiseer me dat het moment waarop hij míj herkent te lang op zich laat wachten en staar vervolgens strak naar de suikerwafels naast me, in de hoop dat iedereen alles weer vergeten is als ik straks weer opkijk.

De Turkse man staat er nog steeds. Ik weet niet waar hij op wacht, maar hij staat er niet bij als iemand van wie je zou kunnen denken dat zijn blind date hem allang heeft bespied vanachter een daklozenkrantje en geruisloos weer is vertrokken. Hij wacht op een rustige manier. Hij heeft geen telefoon in zijn hand zodat hij zichzelf al whatsappend een houding kan geven. Hij loopt niet onrustig heen en weer, kijkt niet iedereen aan. Hij ziet er niet uit als iemand die door een onbekende man opgepikt gaat worden. De zichtbaar wachtende mens is hulpeloos – het is een kunst om zomaar ergens te kunnen staan zonder vragen op te roepen. Wachten is een vaardigheid, besluit ik.

Een gehaaste man in een coltrui komt doelgericht op me aflopen, noemt mijn naam en redt me voordat ik mezelf verder aan vreemden kan opdringen. Volgende keer toch maar naar die gouden tanden vragen.