Op een strozak voor de muren van Grol

In Groenlo speelden 1.200 mensen dit weekend de veldslag uit 1627 na. Drie dagen zonder elektra of stromend water.

Staatse cavalerie rukt op terwijl Spaanse piekeniers zich op het Schootsveld achter aarden wallen verschansen.
Staatse cavalerie rukt op terwijl Spaanse piekeniers zich op het Schootsveld achter aarden wallen verschansen. Foto’s Eric Brinkhorst

Hij zit onder het bloed, de man die bij de kassa van Albert Heijn zijn pinpas zoekt. Hij kan het kleinood nergens vinden. Niet in de leren buidel aan zijn riem, niet onder zijn kuras. Zijn zwaard zit in de weg als hij de zakken van zijn pofbroek doorzoekt. Achter hem in de rij worden mensen onrustig. Hun harnassen rinkelen terwijl ze ongeduldig heen en weer wiegen. Gevonden! De soldaat wil graag 20 euro bijpinnen.

In de supermarkt zaterdag wekken de ridders met winkelmandjes bevreemding. Buiten vallen ze niet uit de toon. Want Groenlo is niet langer. De stad heet dit weekend weer even Grolle, anno 1627. De straatstenen van het oude centrum zijn bedekt met stro. Op vuren worden hompen vlees geroosterd. Je kunt er kippen en ganzen kopen. Op de achtergrond klinken kanonschoten.

Engelsen noemen het reenactment, het groots naspelen van een historische gebeurtenis. Sinds 2005 wordt in Groenlo elke paar jaar de Slag om Grolle nagebootst, de bevrijding van de Spanjaarden door Frederik Hendrik. Drie dagen is de stad het toneel van ‘levende geschiedenis’.

Vanuit heel Europa komen hobbyisten om zich te mengen in de strijd. De deelnemers zijn 1.200 man sterk. Mannen en vrouwen uit veertien landen. Spanjaarden, Britten, Tsjechen, Russen, Fransen – ze verblijven in tentenkampen langs de stervormige slotgracht om het oude centrum. Drie volle dagen zijn ze in hun rol. Dat wil zeggen: geen elektriciteit en geen stromend water. Ze slapen op strozakken in zelfgebouwde tenten. In grote ketels wordt gekookt.

„Het leven was simpel in die tijd”, zegt Giovanni Bamfi (51), in het dagelijks leven IT’er en vandaag musketier, terwijl hij bij een kampvuur op een kippenbot kauwt. „Dat probeer ik opnieuw te beleven. Het is een soort escapisme.” De Italiaan is met zijn familie gekomen, als vele anderen. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers ligt rond de veertig. Maar er lopen ook kleine kinderen en bejaarden rond in de kampen. Die doen huiselijke klusjes terwijl de mannen vechten.

Want gevochten moet er worden. In drie episodes van anderhalf uur spelen deelnemers de ontzetting van Groenlo na. Op een veld vlak buiten het centrum trekken de Hollanders op tegen de Spanjaarden. Musketiers schieten salvo’s op elkaar af met loodzware replica’s – mét buskruit, zonder kogels. Piekeniers trekken in formatie op tegen Spaanse ruiters, her en der worden kanonnen afgeschoten. Vrouwen rennen het slagveld op en af om gewonde mannen met ‘bloed’ te besmeuren. Alles volgens strakke regels. Dit is levend stratego in extremo.

Deelnemers trainen het hele jaar door voor deze evenementen. „Het laden van een musket vereist 42 handelingen. Dat doe je niet zomaar”, vertelt Herman Muntinga (54) uit Bourtange. Met zijn compagnie oefent hij regelmatig op de muren van zijn eigen vestingstad. „Mijn zwaard trek ik alleen als ik weet dat mijn tegenstander ervaring heeft.”

Reenactments worden in heel Europa georganiseerd, maar Groenlo is bijzonder. „De hele stad doet gewoon mee. Bijna iedereen is verkleed”, zegt Mark Glover (53). De Brit vecht niet mee, hij is de kok – ook in het dagelijks leven. Sinds zijn tienerjaren struint hij de evenementen af. „Dit zie je nergens anders. Probeer in Engeland maar eens vergunning te krijgen voor levende ganzen op straat.”

De Slag om Grolle, met tienduizenden bezoekers, is big business. De lokale middenstand speelt er op in. Slijterij Gall & Gall schenkt wijn uit aardewerken kroezen, de slagerij roostert varkensvlees boven een kampvuur. Overal staan jute tenten met archaïsche handelswaar, straatmuzikanten bespelen traditionele instrumenten. Winkeliers en kelners lopen in middeleeuwse uitmonstering.

Maar waar zij ’s nachts gewoon thuis kunnen slapen en douchen, ondergaan de echte deelnemers de ontberingen in hun provisorische tentenkampen. Hoewel niet iedereen het even ver doordrijft. Waltherus van Meer (37), zakenman, trekt de grens bij onderbroeken. Hij wijst op een regimentsgenoot. „Hij gaat all the way, tot wollen ondergoed aan toe. Dat hoeft van mij nou ook weer niet.”

Soms gaan comfort en historische accuratesse hand in hand. „In de zeventiende eeuw had je ook al frikandellen. Wel zo fijn.”