Een dagje fietsen

Het was zaterdagochtend, half tien. Ik fietste de parkeerplaats van een restaurant in ’t Harde op. De Veluwe lag er lekker bij. De mensen waren op weg naar sportclub of supermarkt. De zon scheen aarzelend door de gele bladeren. Ik zag mijn wielrenners. We zouden een rondje gaan fietsen. Dat had Menno geregeld. Die had al zijn fietsende vrienden opgetrommeld om het wielerjaar in stijl af te sluiten. Met negentig kilometer bos en hei, en koffie met appeltaart ergens halverwege op een terras. De fietsen werden uit de auto’s getild. Frames werden gekeurd, er werd bewonderend een stel mooie wielen geaaid. Bij de ochtendkoffie bekeken we keurend elkaars shirtjes. Waar heb je die vandaan? Is dat een beetje goede kwaliteit? Zakken jouw armstukken ook altijd zo af?

Nog één foto voordat we vertrekken. Allemaal mannen en één vrouw met lachende hoofden. Zoals altijd voor een dagje fietsen. Een lach die zegt: hè lekker, we mogen weer. We mogen weer lekker een dagje buitenspelen. Gewoon de wielen laten draaien. De pedalen rondtrappen, een beetje kletsen en vlak voor de appeltaartstop nog even de sprint aantrekken om te kijken wie er als eerste op het terras zit.

Ik kletste met heel veel mannen. En met geen enkele man had ik het over doping. De woorden ‘Lance’ en ‘Rabobank’ vielen gewoonweg niet. Misschien ergens zijdelings, in een grapje, maar ik heb geen serieuze discussie gehad over alles wat er deze week is gebeurd.

We spraken over de liefde, over de kinderen. Over de boeken die we gaan schrijven, over de meisjes die nog versierd moesten worden. Over werk, over nieuwe plannen en oude dromen. Over buschauffeurs en over hoe zij elkaar groeten wanneer ze in hun bussen elkaar voorbij rijden, en of wielrenners die gewoonte niet over zouden moeten nemen. Het is altijd een schitterend gezicht, zo’n buschauffeur met zo’n traag zwaaiende arm.

Enfin.

We spraken over alles maar niet over dát. En dat stelde me enorm gerust. Men kan de hele week roepen dat de wielersport verziekt is, dat we niks meer kunnen geloven van alle helden die we de afgelopen jaren zo hartstochtelijk hebben toegejuicht. Dat we de haard kunnen stoken met onze wielerbibliotheek, omdat alle verhalen gelogen zijn. En het wielerjournaille heeft liggen slapen terwijl de renners op schimmige hotelkamers de spuiten in hun arm zetten.

De profwielrennerij mag dan schudden op zijn grondvesten, de amateurwielrennerij is nog precies zoals het al tientallen jaren is. Met sterke verhalen over demarrages, plagerijen over geschoren benen en een schitterende middag op een herfstige Veluwe.