De minister van veiligheid en justitie is geen opperrechter

Wij rechters poseren liever niet met minister Opstelten, stond boven een ingezonden stuk van twee raadsheren in het Gerechtshof Amsterdam in de krant van donderdag. De foto had overal gestaan: minister Opstelten en de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak met alle nieuw benoemde presidenten van gerechtshoven en rechtbanken.

De twee rechters wilden niet neerbuigend doen over de ministeriële oproep tot transparantie, maar zij vroegen vooral de vrijheid te doen wat rechters doen: „onpartijdig en onafhankelijk luisteren, wegen, oordelen en beslissen, ook onafhankelijk van de minister en welke (rechterlijke) bestuurder dan ook.” Hun boodschap was: de minister is onze baas niet.

Minister Opstelten is niet iemand om te verdenken van oneigenlijke machtsverlangens. Een minder joviaal bewindsman zou argwaan verdienen voor de ongeschreven boodschap die van het groepsportret uitgaat. Hier sta ik, directeur-grootaandeelhouder met mijn bedrijfsleiders, ik prijs hen en spoor ze aan efficiënter te gaan werken en flink te investeren in mensen die met hun harses op tv kunnen om het merk ‘rechtspraak’ op de kaart te zetten.

„Ik wil u helemaal geen opdrachten geven. Maar áls ik het zou mógen… voor één keertje… dan zou u te horen krijgen dat de rechtspraak zijn werk snel, deskundig en begrijpelijk moet doen, maar daarnaast ook meer zichtbaar moet zijn”, aldus de bewindsman. Waarna hij de rechtbankpresidenten managementstroop om de mond smeerde met termen als ‘onverschrokken leiders’, roergangers, leiderschap, ‘het talent om visie om te zetten in realiteit’.

De scheiding der machten volgens Montesquieu staat niet met zoveel woorden in de Grondwet, maar het Nederlandse staatsbestel gaat wel uit van de gedachte dat uitvoerende macht en rechtspraak elkaar tegenwicht moeten bieden. En elkaar daarin nodig hebben. Het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie worden steeds meer aangestuurd als buitendiensten van het ministerie van Veiligheid en Justitie, de rechterlijke macht hoort dat in ieder geval niet te zijn.

Politiek en bestuur kunnen wel klagen over de rechtspraak, maar hebben een gezaghebbend rechterlijk oordeel op andere momenten hard nodig. Wanneer de minister, die gaat over de begroting van de rechterlijke macht, rechters aanmoedigt te kijken naar hun werkprocessen – kan het met behoud van zorgvuldigheid ook sneller en begrijpelijker? – dan is daar niets op tegen. Rechters tikken de regering ook regelmatig op de vingers.

De onafhankelijkheid komt in gevaar wanneer de managementdruk op de rechterlijke macht permanent en steeds opdringeriger wordt. Rechters in het hele land vragen zich regelmatig af hoe zij de stapels zaken op een verantwoorde manier kunnen behandelen. Ook op rechtbanken die letten  op snelheid en kansen voor lichtere vormen van conflictbemiddeling groeit de werklast zonder dat er capaciteit bij komt. Wachtlijsten in de zorg zijn er niets bij.

Wij lopen met z’n allen vrij snel naar de rechter en hebben geen geduld voor een uitspraak die maanden op zich laat wachten. De wetgever (regering + parlement) laat veel over aan de rechter, die bovendien de wet steeds vaker moet toetsen aan Europese grondrechten. Burger, bestuur en wetgever vragen steeds meer van de rechter, regelmatig ook bijna-beleidsbeslissingen. Weigeren kan de rechter niet.

De nieuwe ‘gerechtelijke kaart’ die volgend jaar ingaat, betekent veel extra werk voor rechters, maar vooral verder reizen voor rechtzoekenden. In de hoop dat de kosten onder controle blijven en meer gespecialiseerde rechters beter recht kunnen spreken. De nadelen van schaalvergroting worden voor lief genomen. De ervaringen bij scholen en ziekenhuizen zijn lang niet allemaal fluitend positief. Groot is goed, heerst onverminderd.

Met politieke kritiek op vonnissen, een cohort advocaten dat graag partijdig napraat in talkshows  en ministeriële hints  om als rechter ook maar bij Pauw&Witteman te gaan zitten –  de rechter wordt steeds meer het plein van de publieke opinie opgeduwd. Als zij niet uitkijkt is de rechter eerder veroordeeld dan de verdachte. Een Twittervonnis beslaat 140 tekens.

Met hun voorkeur voor Veiligheid boven het begrip Justitie etaleren de huidige bewindslieden een benadering van de rechtsstaat die vrij makkelijk kan omslaan in rechtsonzekerheid. Het is makkelijk om te roepen dat de politie cybercrime bij u thuis op de computer komt bestrijden. Elektronisch fouilleren is toch niet erg als u geen kinderporno bezit?

De rechtsstaat aantasten om haar overeind te houden. Met de democratie als grootste verliezer. Teeven met zijn ‘inbrekersrisico’, Opstelten met het kostendekkend maken  van de griffierechten en zijn klemmende oproep aan rechters om rechtspraak als een soort online winkelervaring op te zetten, met nazorg bij De Wereld Draait Door, het zijn meer uitdrukkingen van het binnenkort af te sluiten onderbuiktijdperk dan zij willen toegeven.

Niemand is tegen veiligheid. Alles valt onder veiligheid, zeker als mensen zich onzeker voelen. Er zijn geen grenzen aan het bevorderen van veiligheid. Ook niet aan het bang maken met het begrip veiligheid. Het is een demagogische lokroep die het verval van de rechtsstaat in zich draagt.

Als VVD en PvdA het menen dat zij een nieuw begin willen maken, dan hebben zij voldoende aan een ministerie van Justitie. Een ministerie van Gerechtigheid heeft bovendien niet de alleenzeggenschap over de politie.