Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Kranten

De enige die een stuk 'autoriseert' moet de krant zijn die het afdrukt

Journalisten hebben er een pesthekel aan: politici en voorlichters die zeggen dat ze een interview hebben „gefiatteerd”. Dat wil zeggen, ze hebben het voor publicatie te lezen gekregen en eventueel met correcties teruggestuurd.

Begrijpelijk, want van ‘fiatteren’ of ‘autoriseren’ kan geen sprake zijn. De enige instantie die kopij ‘autoriseert’, is de krant zelf.

Maar een interview tevoren laten lezen, en dat indien nodig ook verbeteren, is iets anders.

Laten lezen gebeurt vaak. Het heeft ook andere voordelen dan het voorkomen van fouten: de auteur kan bij ophef achteraf altijd zeggen: jammer, maar jullie hadden het van tevoren gelezen!

Maar toch, ook die praktijk kan de indruk wekken dat de journalist aan de leiband loopt van voorlichters of woordvoerders. The New York Times heeft daarom onlangs een regel ingevoerd om quote approval uit te bannen. „Verslaggevers moeten weigeren als een bron, als voorwaarde voor een interview, eist dat citaten worden voorgelegd en eventueel aangepast”, schreef hoofdredacteur Jill Abramson. Bij die invloedrijke krant is dat overigens vooral een punt omdat redacteuren er veel achtergrondgesprekken voeren met ambtenaren en politici, waaruit dan achteraf pikante citaten moeten worden ‘witgewassen’.

Wat zegt het Stijlboek NRC Handelsblad hierover?

Dat is streng. Er staat: „Inzage in kopij voor publicatie wordt in het algemeen niet aangeboden. Journalisten dienen hun werk grondig en correct te doen en het resultaat voor eigen rekening te nemen.” (Inzage, via www.nrc.nl). Terecht.

Niet aanbieden, dus. Maar wat doe je als het wordt gevráágd, of zelfs van tevoren wordt geëist? Dan gelden deze restricties: „Voor alle gevallen geldt dat inzage hooguit kan leiden tot het corrigeren van feitelijke onjuistheden.”

Dat laatste staat er nogal apodictisch. Feitelijke onjuistheden uit de krant houden is natuurlijk goed, maar houdt het daarmee op? Uiteraard moeten geïnterviewden niet opeens een andere mening willen geven, of een verhitte uitspraak toch maar twintig graden laten afkoelen. Maar er lijkt mij niets op tegen om hen uitspraken te laten verduidelijken, of iemand de kans te geven zich te corrigeren als hij zich, bijvoorbeeld, in een cijfer heeft vergist. Bovendien, ook een journalist begrijpt weleens iets verkeerd.

De praktijk op de redactie blijkt dan ook veel, nu ja, praktischer.

Een zeer ervaren verslaggever zegt bijvoorbeeld dat hij grotere artikelen „in principe altijd” eerst opstuurt aan mensen die hij citeert. „Ik dring er zelfs op aan dat ze het concept inzien. Mijn ervaring is dat het vaak nog extra informatie oplevert. Bovendien wil ik voorkomen dat iemand na publicatie zegt dat de journalist zijn woorden heeft verdraaid en dat er feitelijke onjuistheden in een stuk staan.”

Maar een voormalige chef vindt dat de praktijk is doorgeschoten: „Voorleggen is algemeen geworden. Van het kleinste citaat tot en met het grootste interview laten we teksten voor publicatie lezen aan bronnen, voorlichters en woordvoerders.” Daar kan een journalist lui en slordig van worden. „Die denkt: de precieze woorden komen toch pas in fase twee, bij de onderhandelingen.” Hij vindt lezen voor publicatie overigens minder een probleem bij „mensen die geen ervaring hebben met de pers” dan bij politici of andere professionals.

Weer een ander, een ervaren Buitenlandredacteur, zegt „vrijwel nooit” citaten voor te leggen. „Je moet niet terechtkomen in een onderhandelingssituatie met de geïnterviewde of diens woordvoerder – daar wordt de lezer de dupe van.” Bij buitenlandse geïnterviewden speelt dat ook veel minder, „en niet alleen omdat men het Nederlands niet kan lezen”. Daar is soms eerder het uitgangspunt dat men niets van tevoren wil inzien. „Wel laten ze soms een opnameapparaatje meelopen, met de impliciete dreiging: als je niet zorgvuldig bent, hebben wij het ook op de band”.

Moeten de regels verder worden aangescherpt?

Dat vinden de meeste redacteuren die ik polste niet. Ook The New York Times houdt trouwens een kattenluikje open, voor „cruciale informatie”. Een redacteur met veel Haagse ervaring zegt: „Liever een rechte rug van een journalist die van zijn Stijlboek enige speelruimte krijgt om trefzeker van geval tot geval te oordelen, dan een verbod waarmee het geweten schoon, maar de praktijk groezelig wordt.”

Dat vind ik ook. Journalistiek wordt doorgaans niet beter van algemene verbodsbepalingen. Eerder van praktische vuistregels waarmee journalisten zelf leren nadenken over hun werk. Wanneer is inzage nuttig of gewoon fair, en wanneer wordt het een opening voor gesjoemel, het terugnemen van gedane uitspraken, of het afschuiven van verantwoordelijkheid?

Een andere ex-chef vat het zo samen: „De geïnterviewde gaat niet over de tekst, en zelfs niet over zijn eigen citaten. Maar hij mag alles zeggen, en ik luister en bepaal wat ik ermee doe. Dat is wat mij betreft de standaardafspraak.”

Geïnterviewden mogen van alles vragen, maar niet achteraf meeschrijven („Zo is het toch een mooi stuk geworden?”).

En hoe dekt de ombudsman zich eigenlijk in? Bovenstaande citaten liet hij lezen aan de redacteuren die hem te woord stonden. Dat lijkt hem fair. Voor het overige verwijst hij naar zijn statuten.

Sjoerd de jong