Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Boeken

Remmen op de Overtoom

Alleen maar ingewikkelde mensen, in de nieuwe roman van Esther Gerritsen. Maar een vervreemde moeder en dochter komen er verrassend samen.

De Overtoom in Amsterdam is twee fietspaden, twee rijbanen en twee trambanen breed. In de openingsscène van Esther Gerritsens nieuwe roman Dorst ziet een moeder, Elisabeth, aan de overkant van die Overtoom haar dochter fietsen. De vrouwen hebben geen ruzie, maar ze spreken elkaar minder dan als normaal wordt beschouwd tussen moeders en dochters.

In één zinnetje: ‘De dochter stopt met trappen, maar remt nog niet.’ Want de conventie vereist dat ze even stopt, maar daar heeft ze geen trek in. Ook de moeder zou de ontmoeting liever ontwijken, maar dat kan niet: ‘Elisabeth weet meteen dat ze haar dochter moet vertellen dat ze doodgaat en ze lacht als iemand die van plan is een grap te vertellen.’ Dus steekt ze over.

Het gesprek – in de regen, óók nog – verloopt met alle onbehaaglijkheid die Gerritsen ons tussen de regels door al heeft voorgespiegeld, culminerend in de uitwisseling: ‘Doen ze er iets aan?’ / ‘Nu even niet, nee.’ / ‘Ze gaan er iets aan doen?’ / ‘Als ze er iets op weten wel.’ / ‘En weten ze dat?’ / ‘Nu even niet.’

Laat Esther Gerritsen maar ongemak oproepen. In het Overtoomdialoogje hoor je haar voorgeschiedenis als toneelschrijfster doorklinken. Vaak gaat het in haar werk – dat haar in 2005 de Dif / BNG Nieuwe Literatuurprijs opleverde en twee jaar geleden een Librisnominatie voor Superduif – om personages die zich wel willen aansluiten bij gewone mensen met gewone gedachten, maar die ondanks hun goede voornemens steeds weer af blijken te wijken. En die dus in de problemen komen met elkaar en zichzelf.

Aan waardering van de kritiek heeft het Gerritsen nooit ontbroken, de afgelopen jaren groeit haar publiek ook. Deels is dat te danken aan haar sterke (vorig jaar in Je hebt iets leuks over je gebundelde) columns uit onder meer Viva en de VPRO-gids, deels aan een geleidelijke verschuiving in haar schrijverschap. Want hoe herkenbaar het werk van Gerritsen ook is, ze is op weg om een steeds gewonere schrijver te worden. Werd je in boeken als Tussen een persoon (2002) en De kleine miezerige God (2008) doorlopend door de auteur het bos in gestuurd, nu blijft Gerritsen haar best doen om haar lezers niet alleen geestig te ontregelen, maar ook om haar personages onder te brengen in een behapbaar verhaal – zoals het relaas van een stervende moeder en haar dochter.

Fatale bericht

Al dadelijk na de openingsscène blijkt de dochter, Coco, zich al even moeizaam naar het normale te voegen als haar moeder. Want Coco begint zich na het fatale bericht enorm te verheugen op het moment dat ze het aan haar vriend zal vertellen. Ze krijgt aanvankelijk precies wat ze wil: ‘Hans wordt woest. Coco kijkt naar de rode gloed op zijn wangen en is blij, alsof ze raak schiet in de schiettent en er rozen omhoogspuiten.’

De reden van haar vriends kwaadheid is de terloopse manier waarop de moeder het doodsbericht heeft gebracht (‘Op de Overtoom? […] Wat moet dat een af-grij-se-lij-ke vrouw zijn.’), maar even later blijkt de hysterische verontwaardiging van Hans zich even eenvoudig tegen Coco te kunnen keren, wanneer hij meent dat zij het ondanks alles voor haar moeder opneemt.

Alleen maar ingewikkelde mensen dus, in Dorst. Het verhaal wordt afwisselend vanuit het perspectief van Elisabeth en Coco verteld. Die blijken inderdaad geen gewone moeder-dochterrelatie te hebben: Elisabeth sloot de kleine Coco hele dagen op in haar kamer (‘Ze vond het zelf niet erg’). Nadat Coco een keer op haar fietsje dwars door een serreruit was gereden werd besloten dat ze voortaan bij haar vader (ook een vreemde man) en haar stiefmoeder (zo weinig vreemd dat het ook weer gek wordt) ging wonen – een gezelschap dat Gerritsen de gelegenheid geeft om nog een reeks sterke scènes over verlegen mensen te schrijven.

Daarbij zorgt het volslagen gebrek aan sentimentaliteit – zowel bij de personages als de auteur – ervoor dat deze roman over een stervende vrouw nergens larmoyant wordt. Zoals Gerritsen toch al aangenaam uit de buurt blijft van alle voor de hand liggen verlangens en ontwikkelingen die het gros van de romans zo volslagen voorspelbaar maakt.

De aanstaande dood van Elisabeth brengt de personages tot elkaar, in elk geval fysiek: Coco besluit weer bij haar moeder in te trekken, overigens zonder zich heel nadrukkelijk met de zorg voor de zieke te bemoeien.

En dan toont zich de beperking van Dorst, want hoe sterk Gerritsen ook is in het neerzetten van haar sociaal minder begunstigde personages, het is veel moeilijker om hen ook nog een geloofwaardig plot binnen de loodsen. Voor een belangrijk deel komt de roman na een pagina of vijftig tot stilstand: er wordt nog wel geruzied, gezwegen en herinnerd, maar al het ongemak begint te lijken op het ongemak van de scène ervoor.

In het laatste deel van Dorst komt de roman weer tot leven. Daar wordt ook de betekenis van de titel helder. Coco herneemt wat een oude gewoonte blijkt te zijn: zich bezatten en zich vergrijpen aan (of zich laten grijpen door) wildvreemde mannen, meestal in het café. Het is een val in verslaving waarmee ze zich isoleert van iedereen om haar heen – zeker van haar vriend.

Onvermogen

Maar op een subtiele manier wordt de afstand tussen Coco en haar moeder dan juist verkleind. Niet dat ze elkaar plotseling in de armen vallen, tot bekentenissen komen of de laatste belangrijke woorden tot elkaar richten – integendeel. Gerritsen toont vooral heel mooi hoe de twee verbonden zijn in de manier waarop ze zich isoleren.

En dan zie je ook wat ze delen: het onvermogen om de ander werkelijk lief te hebben, hoezeer de conventie ook van moeders en dochters eist dat ze van elkaar houden. Maar ook dat ze er vrede mee hebben dat de ander zich afsluit, wat aan het eind van het boek ook nog eens zeer letterlijk gebeurt.

De climax van Dorst zit dan ook niet in de aangekondigde dood van Elisabeth, maar in de wijze waarop moeder en dochter – dan veel verder van elkaar gescheiden dan door de fietspaden, rijbanen en trambanen van de Overtoom – die toch samen beleven.