‘Ik wil voelen dat iets authentiek is’

De gedichten in de debuutbundel Finse meisjes van dichteres Kira Wuck zijn fris, vrolijk, licht melancholisch en optimistisch. Haar Finse familie was haar belangrijkste inspiratie. „Ik ben gewend heel veel te vertellen in weinig zinnen.”

De achternaam van Kira Wuck rijmt op geluk, maar daarvan heeft de 33-jarige dichteres nog weinig mogen smaken. Haar Finse moeder overleed toen ze elf was, haar Indonesische vader verloor ze op haar zestiende. Lichtpunt was dat haar vader was hertrouwd met een vrouw die meer in haar zag dan de onderwijzers op de Vierde Montessorischool in Amsterdam-Oost. Die stuurden haar wegens haar dyslexie naar een LOM-school.

Dankzij de doortastendheid van haar stiefmoeder, later haar voogd, kon ze naar de mavo en daarna door naar het mbo. In Utrecht deed ze vervolgens de hbo-opleiding Culturele en Maatschappelijke Vorming. Maar waar ze het meest profijt van heeft gehad is de Schrijversvakschool. Onder leiding van de dichters Maria van Dalen, Erik Menkveld en Ingmar Heytze bekwaamde ze zich daar in poëzie en scenarioschrijven.

In december vorig jaar won de bedachtzaam formulerende, bijna fluisterend pratende performer („op het podium ben ik minder verlegen”) het Nederlands kampioenschap Poetryslam, ze publiceerde gedichten in Hollands Maandblad en Tirade en onlangs verscheen haar eerste bundel Finse meisjes: knisperend frisse poëzie, licht melancholisch maar met een optimistische toets. „Dat klopt”, zegt ze, „er zit veel vrolijkheid in.” Als voorbeeld noemt ze ‘Dit feest’: ‘Dit feest is zo saai zegt Sylvia/ ik wou dat er iemand iets in mijn drankje deed’. „Sylvia bestaat echt,” zegt ze met een lachje. „Ze is een vriendin met wie ik vroeger veel uitging.”

In haar kleine benedenhuis in Amsterdam-West trekt ze enthousiast boeken uit de kast van schrijvers die haar inspireren: korte verhalen van Sanneke van Hassel en Thijs de Boer, romans van Grunberg („vooral zijn natuurlijke dialogen zijn super”), Kafka, Houellebecq en de roman De grens van haar Finse leeftijdgenote Riikka Pulkkinen. Als je haar zo bezig ziet, doet ze denken aan een hongerig dier dat zich na een winterslaap gretig tegoed doet aan zijn lievelingsvoedsel: woorden, taal, poëzie. „Ik hou van verontrustende boeken en taalexperimenten.”

Spelen met taal zat er al vroeg in. Op de basisschool mocht ze zelf kiezen wat ze deed. „Iedere dag koos ik taal: op een matje letters leggen en daar woorden van maken.” Nu kan ze zo’n beetje leven van deze fascinatie. Van haar optredens op festivals en de publicatie van haar gedichten betaalt ze haar vaste lasten. ’s Zomers verdient ze bij als kok op een camping in Zeeburg. Haar vriend met wie ze samenwoont is motion designer, hij maakt animatiefilms.

Finse meisjes opent met zeven gedichten onder de titel ‘Familie’. Haar overleden ouders en springlevende Finse oma Enni Taimi, aan wie de bundel is opgedragen, passeren de revue. „Mijn moeder kwam in de jaren zeventig naar Amsterdam om te ontsnappen aan het gesloten, overbeschermde Finse milieu waarin ze was opgegroeid. Zij wilde niets van Finland weten, maar ik was er nieuwsgierig naar. De afgelopen jaren ben ik erg close geworden met mijn grootmoeder in Helsinki: een sterke, onafhankelijke vrouw die veel van politiek weet en alles bijhoudt.”

Vier keer per jaar bezoekt Kira Wuck Finland, ze voelt zich er thuis, spreekt de taal en heeft er vrienden die haar ‘typisch Fins’ noemen. Ze beschouwt dat als compliment: „Finse mensen zijn misschien iets minder assertief dan Nederlanders, dat past wel bij me.”

Met de Indonesische familie van vaders kant, die van Bandoeng via Duitsland in Nederland belandde, heeft ze veel minder. „Ik ben zelfs nooit in Indonesië geweest. Misschien ga ik ooit een boek schrijven over mijn familie, maar het is lastig daar een vorm voor te vinden. Ik wil dat mijn werk boven het autobiografische uitstijgt, autobiografische literatuur vind ik niet interessant.”

Op het ogenblik werkt ze aan absurdistische korte verhalen. Iedere dag vertrekt ze tegen de middag met haar laptop naar de Openbare Bibliotheek om daar tussen de kranten en tijdschriften te schaven aan oude verhalen en nieuwe te bedenken. Zo heeft ze dat ook met Finse meisjes gedaan. „Maar proza vergt een andere instelling. In poëzie ben ik gewend superkort te schrijven, heel veel te vertellen in weinig zinnen. Nu moet ik leren om dingen uit te rekken en een spanningsboog te creëren.”

Ondanks haar dyslexie is ze altijd een intensieve lezer geweest: vanaf haar zeventiende veel García Márquez, Tolstoj, Dostojevski en daarna ‘kaler proza’ en veel poëzie. Ze is gecharmeerd van Tjitske Jansen en andere jonge Nederlandse dichters die „een bepaalde oprechtheid” uitdrukken. „Ik vind het belangrijk om te voelen dat iets echt is, niet in de zin van echt gebeurd, maar in de betekenis van authentiek, niet geposeerd. Dat streef ik zelf ook na.”