Een drempel tegen de politieke splinters

Politieke vernieuwing lukt in Nederland niet zo. Bestuurders zijn alleen in meerderheid voor een kiesdrempel. Maar invoering daarvan is ook weer zo lastig.

Geen GroenLinks. Geen ChristenUnie. Geen SGP. Geen Partij voor de Dieren. En ook geen nieuwkomer als 50Plus.

De Tweede Kamer zou er heel anders uitzien als een kiesdrempel van 5 procent wordt geïntroduceerd. Partijen moeten dan minimaal dat percentage van de stemmen halen om in de Kamer te komen. Een goed idee, vindt 56 procent van de Nederlandse bestuurders, zo blijkt uit onderzoek van OverheidinNederland samen met deze krant. Alle 12.000 bestuurders werden aangeschreven, bijna 2.600 reageerden.

Nee, juist geen goed idee, vindt parlementair historicus Bert van den Braak van de Universiteit Leiden. „Minderheden een stem geven hoort bij Nederland. Dat is historisch zo gegroeid. Waarom zou je dat om zeep helpen? Het zal alleen maar voor afkeer van de politiek zorgen.”

Nu komt een partij in de Tweede Kamer als deze de kiesdeler haalt. Dat is het aantal uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal zetels in de Kamer – dit jaar 62.829 stemmen. Maar veel andere Europese landen, zoals Duitsland, België en Zweden, kennen wel een kiesdrempel. Ook in Nederland klinkt geregeld de roep om zo’n drempel. Van VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes bijvoorbeeld, in april op radiozender BNR: „Een kiesdrempel helpt om de versplintering van het politieke landschap tegen te gaan.”

De invoering van een kiesdrempel is de enige politieke vernieuwing die een meerderheid krijgt van de bestuurders. Verder tonen ze zich vooral conservatief. Alleen een ooit door Frits Bolkestein geopperd ideetje krijgt nog relatief veel steun (47 procent voor, 48 procent tegen). De oud-VVD-leider stelde in 1993 voor partijen geen rangorde meer op hun kieslijst te laten aanbrengen. De lijsttrekker staat op 1, de rest op alfabetische volgorde. Zij moeten zelf stemmen verzamelen om te worden verkozen. „Kandidaten kunnen niet meer op de slippen van hun lijsttrekker de Kamer betreden, maar dienen een eigen achterban te verwerven”, zei Bolkestein destijds. „Mij dunkt, het idee is het overdenken waard.”

Maar dat vindt Van den Braak niet. Hij noemt het „een onzinnig idee van een weldenkend man”. Het kan tot cliëntelisme leiden, gelukszoekers aantrekken, en fracties hebben geen invloed meer op wie in de fractie komt. Daardoor kunnen ze specialisten mislopen. Geen jurist meer, of iemand die iets van belastingen weet. Van den Braak: „Het gaat ten koste van het tegenwicht dat fracties aan het kabinet kunnen bieden. Het verzwakt de positie van het kabinet als geheel.”

In 1903 kwamen de socialistische SDAP en liberale VDB al met voorstellen voor afschaffing van de senaat en voor invoering van een referendum. De discussie over staatkundige vernieuwing heeft sindsdien niet meer stilgestaan. De debatten werden heftiger in de jaren zestig, door de komst van D66.

Inmiddels zijn veel staatscommissies, rapporten van politieke partijen en publicaties van experts voorbijgekomen. Maar het heeft tot weinig geleid. Partijen verschillen te veel van mening over wat er zou moeten veranderen. En het is ook niet eenvoudig. Voor grondwetswijzingen geldt een lastige procedure. Eerst moeten de Tweede en Eerste Kamer akkoord gaan, dan volgen nieuwe verkiezingen, en dan moet er in beide Kamers een tweederde meerderheid zijn. Van den Braak: „Je zou eerst die procedure eens moeten veranderen, anders krijg je nooit iets voor elkaar.”

Al verandert er af en toe natuurlijk wel iets. Zoals de formateur, die sinds de laatste verkiezingen door de Kamer zelf wordt aangewezen, en niet meer door het staatshoofd. Maar dat was eenvoudiger; er was geen grondwetswijziging voor nodig.