De dekolonisatie was overal lastig

Het is te gemakkelijk om te stellen dat de dekolonisatie van Indonesië is mislukt door de onervaren Nederlandse bestuurders. Bij de andere koloniserende machten verliep

het verlies van hun koloniën niet veel beter, schrijft H. L. Wesseling.

Illustratie Angel Boligan

De Nederlandse dekolonisatiepolitiek in Indonesië is tot nog toe altijd als een mislukking beschouwd. Toenmalig minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) verklaarde in 2005 dat Nederland in de Indonesische kwestie „aan de verkeerde kant van de geschiedenis” is terechtgekomen. Maar klopt dat wel? En wat betekent ‘verkeerd’ in dit geval precies?

Er is al allerlei historisch onderzoek uitgevoerd naar het Nederlands militair geweld in Indonesië vlak na de Tweede Wereldoorlog. Toch dienden eind vorige maand drie instituten – NIOD, KITLV en NIMH – nog weer een groot onderzoeksplan in, rechtstreeks bij de Tweede en Eerste Kamer, nadat de regering er eerder geen belangstelling voor had getoond.

Wat kan er onderzocht worden? Bijvoorbeeld of dat negatieve beeld terecht is. Het algemene beeld lijkt te zijn dat Nederland kortzichtig opereerde, de internationale politiek niet begreep en de tijdgeest niet verstond. Zo is wel opgemerkt dat de hoofdrolspelers, Drees, Beel en Romme, weinig ervaring hadden met de internationale politiek.

Inderdaad staat wel vast dat de oud-wethouder van Den Haag, de adjunct-gemeentesecretaris van Eindhoven en de prominente inwoner van Bloemendaal door deze kwestie in een voor hen vreemde wereld waren terechtgekomen, die van de ‘grote politiek’. Dat gold niet voor de ministers, ambtenaren en gouverneurs van Groot-Brittannië en Frankrijk die de twee grootste koloniale rijken hadden bestuurd die de wereld ooit gekend heeft, en tot 1940 de wereldpolitiek hadden bepaald. Toch deden die het niet beter dan de provinciale Nederlanders.

Als men van de verkeerde kant van de geschiedenis wil spreken, moet men constateren dat alle koloniale mogendheden daar zijn terechtgekomen. Groot-Brittannië voerde dekolonisatieoorlogen in Maleisië, Kenia en Cyprus en zocht de oplossing voor de problemen vaak in deling van de koloniën. Zo werd Brits-Indië gesplitst in India en Pakistan, wat leidde tot het grootste bloedbad uit de koloniale geschiedenis – daarom spreekt men daar niet van independence, maar van the partition. Ook Palestina en Ierland werden gedeeld, met de gevolgen die we kennen.

Frankrijk vocht negen jaar een smerige oorlog – sale guerre – in Indochina (1945-54) en daarna een nog veel ergere oorlog in Algerije (1954-62). België holde in 1960 weg uit Kongo. Die vroegere modelkolonie is nu het meest miserabele deel van Afrika. Portugal hield als laatste vast aan zijn koloniën en voerde daar jarenlang slepende en bloedige oorlogen.

Als men over het Nederlandse dekolonisatiebeleid wil oordelen, is het dus zaak niet alleen naar Nederland te kijken en niet alleen de schuldvraag te stellen, maar de dekolonisatie in vergelijkend en historisch perspectief te bezien. Zo bezien zijn er drie vragen: Waarom vond de dekolonisatie plaats toen ze plaatsvond, ruwweg tussen 1945 en 1960, en niet eerder of later? Waarom vond ze plaats zoals ze plaatsvond, nu eens zus, dan weer zo? Wat betekende de dekolonisatie voor het moederland en de ex-kolonie?

1Dat de dekolonisatie plaatsvond tussen ruwweg 1947 (Brits-Indië) en 1962 (Algerije), met een uitloop naar 1974 (Angola en Mozambique), was het resultaat van lange-, middellange- en kortetermijnontwikkelingen. De eerste kan men ‘de dialectiek van de kolonisatie’ noemen. Toen de koloniale machten in de negentiende eeuw serieus met de ontwikkeling van hun koloniën begonnen, hadden zij daarvoor nieuwe medewerkers uit de koloniale bevolking nodig. Daarmee schiepen zij hun eigen tegenkracht. De zonen en kleinzonen van deze ‘collaborateurs’ vormden de kern van de nationalistische beweging. Deze beweging begon al in het laatste kwart van de negentiende eeuw – dat is de middellange termijn – vooral in Azië en kreeg een stevige impuls van de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905), de eerste oorlog waarin een Aziatisch volk een Europees volk versloeg. De Tweede Wereldoorlog en de Japanse bezetting van delen van Azië, ten slotte, waren de kortetermijnontwikkeling die de directe aanloop tot de dekolonisatie vormde.

2Dat de dekolonisatie verschillende vormen kon aannemen, van relatief vreedzaam (Afrika beneden de Sahara) tot zeer gewelddadig (Algerije), hing af van de interactie van drie factoren: de situatie in de kolonie, het moederland en de internationale factor. De politiek van het moederland was een belangrijk element in de vergelijking. Daarbij speelden verschillende zaken een rol: grote mogendheden als Engeland en Frankrijk beschikten over meer machtsmiddelen dan kleine als Nederland en Portugal. Nederland en Frankrijk hadden coalitieregeringen, die bovendien door constitutionele factoren in hun bewegingen beperkt waren. (Algerije was geen kolonie, maar een deel van Frankrijk zelf). Groot-Brittannië, daarentegen, had een stabiel tweepartijenstelsel. Nederland en Frankrijk leden onder het trauma van de nederlaag van 1940 en de Duitse bezetting. Engeland had in de Tweede Wereldoorlog juist getriomfeerd. En zo was er meer.

Belangrijker echter was de situatie in de kolonie zelf. Daar is het belangrijkste onderscheid dat tussen bestuurs- en vestigingskolonies. Overal waar een belangrijke Europese bevolkingsgroep was gevestigd, leidde dit tot pijnlijke conflicten: bekende voorbeelden zijn Nederlands-Indië en Algerije. Kenia is een minder bekend, doch niet minder frappant voorbeeld van een lange, wrede en bloedige dekolonisatieoorlog. Voor de Britten was hun terugtocht uit Azië – waar ze overigens in Maleisië een langdurige oorlog tegen de communistische guerrillos voerden – geen aanwijzing dat de koloniale tijd ook in Afrika voorbij was. Integendeel, de Afrikaanse koloniën wonnen door het verlies van de Aziatische zelfs nog aan belang. Kenia, met zijn grote Britse bevolking, was daarvan een voorbeeld. Rhodesië een ander. Daar vond zelfs een opstand van de Britse kolonisten tegen hun eigen regering plaats.

De internationale situatie, ten slotte, bepaalde de politiek van de Verenigde Staten, met name ten aanzien van Indochina en Indonesië. Zij steunden enerzijds de nationalistische leider Soekarno, die een communistische opstand snel had onderdrukt, maar anderzijds ook de Franse koloniale heersers in Vietnam, in hun strijd tegen de communistische leider Ho Chi Minh. In beide gevallen was de Koude Oorlog de beslissende factor.

3En dan de laatste vraag: wat betekende de dekolonisatie voor moederland en kolonie? Voor het moederland was het einde van de koloniale tijd meestal gunstig. Het verlies van Indië betekende voor Nederland niet de gevreesde rampspoed. Integendeel, het was het begin van een periode van ongekende economische bloei.

Overigens betekende het einde van de koloniale relatie niet altijd het einde van de betrekkingen. In het geval van Nederland en Indonesië kwam het, vooral door de kwestie-Nieuw-Guinea, al snel tot een volledige breuk. Voor Frankrijk en Algerije gold dat ook, maar in Ivoorkust, om een ander voorbeeld te noemen, werkten in de jaren 1980 meer Fransen dan in de koloniale tijd. In Vietnam volgde op de Franse de Amerikaanse oorlog, waarin Frankrijk partij koos voor de Vietnamezen. Dat maakte weer veel goed. Enige jaren geleden werd in Hanoi zelfs het congres van de francofone landen gehouden. Francofoon Afrika bleef een chasse gardée van de Franse diplomatie en de Franse strijdkrachten, wat leidde tot vele duistere affaires, interventies en staatsgrepen die vanuit het Elysée werden geregisseerd.

Wat dit, veel te korte, overzicht hopelijk heeft duidelijk gemaakt, is dat het voor alle koloniale mogendheden moeilijk was om niet ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ terecht te komen en dat het niet erg zinvol is het Nederlandse tekortschieten in Indonesië alleen te zien als het resultaat van het werk van weinig ervaren politici.

Het is meer dan tijd om de dekolonisatie te beschouwen als een historisch verschijnsel, en te analyseren met de methoden en begrippen van de historicus.

H.L. Wesseling is historicus.