Nog is alle hoop niet verloren

Pakistan is het land van moslimextremisten. Maar in Pakistan leven ook miljoenen moslims die het geweld beu zijn, die tolerantie preken. Waarom zwijgen zij?

A Pakistani police official and a Christian volunteer escort a young Christian girl accused of blasphemy, towards a helicopter following her release from central prison on the outskirts of Rawalpindi, Pakistan on Saturday, Sept. 8, 2012. A Pakistani jail official says that a young Christian girl accused burning pages of the Islam's holy book has been freed from a jail near the capital. (AP Photo/Anjum Naveed)
A Pakistani police official and a Christian volunteer escort a young Christian girl accused of blasphemy, towards a helicopter following her release from central prison on the outskirts of Rawalpindi, Pakistan on Saturday, Sept. 8, 2012. A Pakistani jail official says that a young Christian girl accused burning pages of the Islam's holy book has been freed from a jail near the capital. (AP Photo/Anjum Naveed) AP

Een donderdagavond in Lahore. Achter een hoge muur rond de tombe van de zestiende-eeuwse sufi-heilige Baba Shah Jamal flakkeren vuren en klinkt opzwepend tromgeroffel. Wie het terrein wil betreden, wordt zorgvuldig gefouilleerd. Ook sufi’s zijn doelwit geweest van aanslagen door Pakistaanse extremisten. Dicht naast elkaar op de grond zitten tientallen mensen, vooral mannen, jong en oud. Ze bewegen ritmisch op de hypnotiserende drumbeats. Er branden olielampjes, er wolkt wierrook.

De oorsprong van de Pakistaanse islam ligt in het sufisme, dat tolerantie preekt. Sufi’s zoeken god in mystieke ervaringen, muziek en dans. Maar de laatste jaren toont Pakistan vooral een ander gezicht. De moordaanslag op Malala Yousafzai, een 14-jarige activiste voor meisjesonderwijs die binnen en buiten Pakistan bekendheid geniet, staat niet op zichzelf. Afgelopen dinsdag werd ze in de schoolbus voor ogen van haar medeleerlingen neergeschoten door de Talibaan. Ze werd zwaargewond overgebracht naar een ziekenhuis.

Vorige maand vielen tijdens de protesten tegen een anti-Mohammed film op één dag zeker 20 doden en werd een kerk in brand gestoken. Twee maanden geleden werd een groep van 25 shi’itische moslims om hun geloof vermoord, in februari gebeurde dat met een groep van 18 shi’ieten. Het zijn voorbeelden uit een lange reeks moordpartijen op niet-sunnitische moslims. Het oprukkende gewelddadige islamitische fundamentalisme in Pakistan leidde dit jaar al tot meer dan 2.200 burgerslachtoffers, en tot meer dan 14.400 sinds 2003 – de gewonden niet meegerekend.

Ook is Pakistans strenge blasfemiewet weer in opspraak. In augustus werd het ook 14-jarige christelijk meisje Rimshah Masih gearresteerd omdat ze pagina’s van de Koran zou hebben verbrand. Inmiddels zit een islamitische geestelijke vast die haar in de val zou hebben gelokt. Donderdag werd een 16-jarige christelijke jongen in Karachi gearresteerd die een blasfemisch sms-je zou hebben verstuurd. De wet, die blasfemie bestraft met de doodstraf, kan makkelijk misbruikt worden, maar niemand durft hem aan te passen. Begin vorig jaar werden eerst de gouverneur van Punjab, Pakistans belangrijkste provincie, en vervolgens de christelijke minister van Minderheden vermoord omdat ze zich in het openbaar uitspraken voor versoepeling van de wet.

Intussen gaan de Pakistaanse Talibaan door met zelfmoordaanslagen en aanvallen op legerbases. Vermoed wordt dat ze informatie krijgen van fundamentalistische officieren. Tijdens het militaire bewind van generaal Zia ul-Haq (1977-1988), die Pakistan wilde ‘islamiseren’, kreeg islamitisch extremisme voet aan de grond binnen de strijdkrachten. Na de aanslagen van 2001 zuiverden zij haastig hun officierskorps om te voorkomen dat Al-Qaeda en de Talibaan zich er zouden nestelen. Maar na een Talibaan-aanval op een marinebasis in Karachi in mei vorig jaar, niet ver van een plek waar waarschijnlijk kernwapens lagen opgeslagen, bleken toch Al-Qaeda-aanhangers binnen de strijdkrachten actief.

Veel Pakistanen hebben genoeg van het extremisme. De familie van Malala Yousafzai krijgt steun uit het hele land. Er werden sms-acties gehouden en wakes. Ook bleven veel scholen uit protest een dag gesloten en vijftig sunnitische geestelijken spraken een fatwa uit tegen de Talibaan. Maar mensen gingen niet massaal de straat op. „Iedereen is geschokt”, zegt Farzana Bari, hoogleraar aan de Quaid-e-Azam Universiteit in Islamabad en een prominent mensenrechtenactivist. „Als zelfs een kind niet meer hardop kan zeggen dat ze onderwijs wil, wat is een leven hier dan nog waard?” Ook zij krijgt regelmatig doodsbedreigingen. „De boodschap is dat iedereen die zich verzet tegen de Talibanisering hetzelfde lot wacht als Malala”, zegt ze. „We weten dat we moeten opstaan om de extremisten een halt toe te roepen. Maar durven we het nog?”

Een van de weinigen die dat durfden was Benazir Bhutto. In 2007 keerde ze terug uit ballingschap om als lijsttrekker van de Volkspartij (PPP) deel te nemen aan de verkiezingen. Vóór haar vertrek zei ze: „Het extremisme is een sterke dreiging, maar het kan worden ingetoomd als we het gematigde midden kunnen mobiliseren. Ik ga terug om de strijd te leiden.” Ruim twee maanden later kwam ze om bij een zelfmoordaanslag in Rawalpindi, waarschijnlijk gepleegd door Al-Qaeda.

Pakistans extremisme is voor een belangrijk deel een probleem van eigen makelij. Tijdens de Sovjet-bezetting van Afghanistan (1979-1989) trainden de Pakistanen met Amerikaans geld Afghaanse verzetsstrijders, waarvan een groot deel uiterst fundamentalistisch was. Ook Osama bin Laden, die later Al-Qaeda zou oprichten, was onder hen. Eind jaren tachtig besloten de Pakistaanse strijdkrachten dezelfde truc toe te passen in hun conflict met het veel grotere en sterkere India over Kashmir. Lashkar-e-Taiba, Lashkar-e-Jhangvi, Harakat-ul-Jihad al-Islami en nog een handvol andere groeperingen werden gefinancierd en getraind om aanslagen in het Indiase deel van Kashmir te plegen en zo tienduizenden Indiase soldaten bezig te houden.

Na 2001 kreeg Pakistan de boemerang hard in het gezicht. Al-Qaeda werd door de Amerikanen verdreven uit Afghanistan en nestelde zich in Pakistans tribale gebieden. Daar radicaliseerde het de Pashtun-bevolking, met zijn toch al martiale traditie. Er ontstonden strijdgroepen die hun Afghaanse broeders hielpen in de strijd tegen de Amerikanen en zich bovendien keerden tegen de Pakistaanse staat. Zij verwijten Islamabad niets te doen tegen de Amerikaanse aanvallen met drones en de bevoorrading van de internationale coalitie via Karachi. Zij verenigden zich in de Tehrik-e-Taliban Pakistan (TTP), de Beweging van Pakistaanse Talibaan. Daar kwam bij dat Pakistan na 2001 onder druk van de VS niet veel gebruik kon maken van zijn anti-Indiase terreurgroepen in Kashmir. Uit frustratie sloten die zich aan bij de Talibaan. Ze vechten nu zowel in Afghanistan als tegen het Pakistaanse leger. Het is niet duidelijk hoeveel aanhang het extremisme in heel Pakistan heeft. Feit is dat bij parlementsverkiezingen de religieuze partijen telkens veel minder stemmen krijgen dan de toonaangevende seculiere partijen, zoals de regerende PPP.

Generaal Hamid Gul was van 1987 tot en met 1989 chef van de beruchte militaire inlichtingendienst Inter-Services Intelligence (ISI). Hij wordt wel ‘de vader van de Talibaan’ genoemd. De ISI overzag de bewapening en training van Afghaanse mujahedeen. Onder Guls leiding werden voor het eerst Kashmir-groepen bewapend en getraind. Desgevraagd erkent hij nu dat het „uit de hand gelopen” is. „We hebben het jarenlang kunnen controleren, maar nu hebben onze jongens zich tegen ons gekeerd omdat de Amerikanen ons hebben gedwongen hen te bestrijden.”

De legeroffensieven die vanaf 2004 werden ingezet in de tribale gebieden en de Swat-vallei hebben volgens veel waarnemers slechts averechts gewerkt. De slecht getrainde paramilitaire troepen legden het vaak af tegen de fanatieke militanten. Als het wel goed getrainde leger zich ermee bemoeide, werden de Talibaan weliswaar meestal snel verdreven. Maar na een staakt-het-vuren behielden Talibaan-elementen soms toch invloed op het bestuur. Dat gebeurde in 2009 in de Swat-vallei.

Als gepensioneerde generaal leidt Hamid Gul tegenwoordig een religieuze partij, de Islamitische Democratische Alliantie (IDA). Onlangs hield hij een massabijeenkomst in Banu, net buiten de tribale gebieden. „Ik heb daar tegen de stamoudsten en Talibaan-leiders gezegd dat ze moeten ophouden met zelfmoordaanslagen en het doorsnijden van kelen. Het kan ook anders. De koran biedt vele mogelijkheden om Gods recht te doen zegvieren, zonder boerka’s en zonder geweld. Ons doel is hetzelfde – de islamisering van Pakistan.”

Merhabadi is een arme buitenwijk van Islamabad. Hier woonde Rimsha Masih, een christelijk meisje dat in augustus van blasfemie werd beschuldigd. In Pakistan wonen een kleine 3 miljoen christenen. De huizen in Mehrabadi zijn klein en vervallen en er liggen hopen afval in de straten. Geiten en kalfjes scharrelen rond op een vervuild pleintje. Rimshah is vrijgelaten op borgtocht. Maar drie van de vier getuigen die zeiden dat ze imam Khalid Jadoon Chisti zelf de pagina’s uit een koran zagen scheuren om Rimsha in diskrediet te brengen, hebben hun verklaring ingetrokken. Het meisje moet vrezen voor een aanslag. „Ze is met haar familie naar een veilige plaats gebracht”, zegt Arif Jan (32), christen en schoonmaker van beroep, staand voor zijn huisje. Hij vertelt dat hij nog gelooft in het samenleven met moslims. „De leiders van de lokale moslimgemeenschap verdedigden ons. Ze stuurden mannen met geweren om onze huizen te bewaken.” Toch hebben christenen aan de rand van de wijk, tussen de moslims, hun boeltje gepakt. „Het is niet veilig. Onze kerk is geplunderd door extremisten. Nu houden we de eredienst bij mensen thuis.”

„Ik heb nog niet alle hoop verloren, maar de situatie is ernstig”, zegt Imtiaz Gul, directeur van het Center for Research & Security Studies in Islamabad (geen familie van Hamid Gul). „De moordaanslag op Malala Yousafzai is een kille politieke berekening van de Talibaan: schaadt ze ons minder dood dan levend? Het probleem in dit land is niet de religie, maar de politiek. Er is geen goed bestuur, er is een economische crisis die wordt verergerd door corrupte politici. Jongeren raken gefrustreerd, vinden geen werk, hebben geen toekomstbeeld. Totdat ze zich voegen bij een strijdgroep. Ze krijgen voedsel en onderdak en hun leven heeft weer een doel.”

Bij de tombe van sufi-heilige Baba Shah Jamal is de favoriete drug hasj. Mannen dansen rond twee slagwerkers die grote trommels om hun schouders hebben. De drummers hebben lang haar en dragen wijde, hippie-achtige gewaden en sierraden. De dansers raken in trance door steeds heviger met hun hoofd te schudden. Als ze de nabijheid van god voelen, roepen ze religieuze leuzen die overgenomen worden door het publiek.

De bezoekers zijn vriendelijk tegen elkaar. Frisdrank en spijzen worden doorgegeven. Een oudere man met een lange witte baard en kraaltjes in zijn haar wuift de bezoekers koelte toe met een grote waaier. „Het lijkt wel een house party”, zegt Hamid (32) met een tevreden glimlach. Hij emigreerde 16 jaar geleden naar Zuid-Engeland, en is nu op vakantie. Hij bezoekt de tombe voor het eerst. „Nu ik dit zie, ben ik trots dat ik Pakistaan ben.”