Met z’n allen schuilen achter de omerta

Sponsors, sporters, bestuurders; iedereen zweeg decennia lang over doping in de wielerwereld, schrijft oud-renner Peter Winnen. Hij zegt dat epo al in 1988 zijn entree in de wielersport maakte. „Ik voelde: dit gaat gigantisch uit de klauwen lopen.”

Foto Peter Hilz

Toen ik in 1991 uit het profpeloton stapte was ik niet van plan in een andere functie in de wielerwereld oud te worden. Er waren andere mogelijkheden en talenten te onderzoeken die langer dan tien jaar op een plank hadden liggen verstoffen. Daarbij had ik een verdomd bittere smaak in de mond gekregen van de laatste ontwikkelingen op sportmedisch vlak: epo zat in de meute als de mot in een kledingzak. Dé grote revolutie in de wielersport was zich aan het voltrekken. Na een eeuw wanhopig speuren en experimenteren was het sublieme elixer voor de renner gevonden. De bloemen waren voor de beste dokter.

Ik noemde mijzelf geen helderziende maar ik voelde het aan mijn water: dit gaat gigantisch uit de klauwen lopen, daar hoef ik niet per se bij te zijn. Tegen de schittering van dit goud zou het wielermilieu niet zijn opgewassen – welke sporttak was wel tegen elixers opgewassen? Ik voorzag een doldrieste bewapeningswedloop. En die is er ook gekomen. De romantische periode van het wielrennen was definitief voorbij.

Wanneer verscheen epo in het peloton? De meningen zijn verdeeld. Sommigen beginnen de nieuwe jaartelling rond 1993. Ik durf te beweren dat het in 1988 was. In dat jaar werd ik er bergop voor het eerst door een stelletje non-klimmers afgereden. Tijdens een particulier interviewtje met een bepaalde collega, in het zadel uiteraard, werd me ongeveer gewezen waar de klepel hing.

Een en een bij elkaar optellen is niet moeilijk. Ik herinnerde me opeens het interview met de Britse oud-atleet David Jenkins in Sport International, een jaar eerder. Jenkins had zich ontpopt tot dopinghandelaar, was aan de Amerikaans-Mexicaanse grens gesnapt en was voor een poos achter tralies opgeborgen. Op verzoek van de interviewer schreef Jenkins vijftien in de atletiek populaire, want uitstekend werkende en niet te traceren producten op een briefje. Epo (en zijn heilzame werking) stond er ook op. Het geneesmiddel was nog maar een jaar op de markt.

Wie was het die epo in het wielerpeloton introduceerde? Ook hierover zijn de meningen verdeeld. Ik zou ook geen concrete naam kunnen noemen, maar ik vrees dat het een Italiaan was. Het was immers in Italië dat ik voor het eerst non-klimmers talenten zag aanboren die ze niet bezaten.

Vreemde jaren, de eerste schuchtere stapjes richting effectieve manipulatie waren gezet. In sommige ploegen werden nog bloedtransfusies gehanteerd. Voor zo’n ploeg koos je, of niet. Een bloedtransfusie was absoluut niet zonder gezondheidsrisico’s. Logistiek gaf het bovendien een heel gedoe. Aftappen, opslaan, vervoeren, en het bloed weer terugvoeren. Niet dat ik mezelf op de borst wil kloppen voor een hoogstaande moraal, maar ik hanteerde de stelregel: alleen op een operatietafel wil ik een zak bloed.

Ik wist van epo, waarom had ik er toch geen zin in? Het was me te gevaarlijk. Optimale doseringen waren nog niet bekend, voor sportief gebruik. Het hart kon zomaar stoppen met tikken, klonters konden zich in de hersenen ophopen. Roem en rijkdom zijn verleidelijk, maar sterven in het harnas vond ik toch meer een verlangen voor een tienjarige.

Maar de belangrijkste reden was dat ik epo zag als de lans in het hart van de wielersport. Een zekere graad van amateurisme moet zelfs een professioneel sporter bewaken en bewaren. Anders wordt de sport steriel als een set injectienaalden. Een huls, een show van niks.

Ben Johnson sprintte in 1988 naar olympisch goud in Seoul; ik keek ernaar en haalde mijn schouders op. Ik zag eerder een ara in een kooi dan een sprinter. In de krachtnummers van de atletiek stond al decennia lang de beste dokter op het podium. Maar wie geïnteresseerd is in illusies mocht wat mij betreft blijven juichen. Niet weten kan ook heel fijn zijn.

Is Lance Armstrong ook een vreemde ara in een kooi? Lance Armstrong is een veel exotischer exemplaar. Het onderzoek van de Amerikaanse antidopingorganisatie Usada levert het beeld op van een megalomane messias. Een kruising tussen een stripheld en een maffiabaas.

Armstrong en zijn ploegleider Bruyneel rekruteerden op bereidheid tot drogeren. En als die bereidheid er niet was kwam de intimidatie om de hoek. Dit was de keuze: meedoen ter meerdere eer en glorie van Lance, anders oprotten en bek houden. Lance hield ervan andersdenkenden tot in de kieren van hun huizen te achtervolgen en met de grond gelijk te maken. Die macht had hij, en die gebruikte hij ook.

Het rapport van Usada is een zekere zin een tragische maar toch ook spannende geschiedschrijving. Hier wordt de teloorgang van een sport beschreven vanaf de eerste wankele epo-stapjes tot en met de vervolmaking van het zakelijk imperium Armstrong. Naar buiten toe is het charismatisch gemotiveerd, maar het draait uitsluitend rond het merk Armstrong. Lance, het centrum van het universum, de grote weldoener die niet kon en kan slapen als er geen bewonderaars de eeltranden van zijn voeten likken.

Zou Lance Armstrong werkelijk gedacht hebben dat hij zijn leven lang op zijn sokkel kon blijven staan? Als observator van zijn megalomane persoonlijkheid zag ik wel een curve met een sterke kromming naar beneden. Dictators bereiden meestal zelf hun val voor, zoals een pyromaan stiekem verlangt naar zijn ontmaskering. Armstrong toonde zichzelf een specialist in de vernedering. Te veel vijanden maakte hij om overeind te kunnen blijven. Usada sarren was een geliefde vrijetijdsbesteding. Usada zet hem nu weg als een tandeloos, sneu roofdier in de savanne dat verlangt naar zijn einde. Zelfs zijn dure advocaten klinken dof en uitgerangeerd.

De laatste actie van Armstrong moet echter nog komen. Hij zal alles vernietigen, inclusief zijn vrienden en zichzelf.

Lance Armstrong was een perfectionist in alles. Zijn uitgekauwde mantra (500 keer gecontroleerd, nooit betrapt!) klopt bijna. Hij was dan ook de perfectionist van de maskering. Maar dat zegt hij er natuurlijk nooit bij.

Zouden de bevindingen van Usada als een bom zijn ingeslagen in het wielermilieu, althans in wat in zijn gouden dagen het wielermilieu uitmaakte? Natuurlijk niet. Dat wielermilieu was (en is) klein als een gehucht; roddel is er gelijk aan de waarheid. Daarbij, wie was er zonder zonde? Een handjevol misschien. Onder de duistere deken van de omerta waande iedereen zich veilig. In het belang van ‘onze mooie sport’. Dat dan weer wel.

Armstrong was niet uniek in het wegzetten van zijn vijanden als psychisch gestoorden. In feite was het het efficiënte mechaniek van de omerta. Wie ook maar het lef had een tipje van de sluier op te lichten werd als een patiënt verbannen naar een hoekje van de planeet: excommunicatie en psychische liquidatie. Opnieuw, in het belang van de mooie sport waarin in financieel opzicht relatief maar een klein taartje te verdelen is. Het verslag van Usada gaat over een periode in de wielergeschiedenis waarin niet alleen ploegleiders en coureurs zich verschuilden onder het verstikkende tapijt van de omerta. Hoogwaardigheidsbekleders, sponsoren, en andere belanghebbenden hulden zich in een nog kwaadaardiger vorm van zwijgen: het bewust niet-weten. Een en een bij elkaar optellen ligt in ieders vermogen, zou je denken.

Wie na de Festina-affaire, na Operacion Puerto, na de Italiaanse razzia’s en onderzoeken van dozijnen procureurs, wie na het lezen van de omerta-doorbrekende boeken van Willy Voet, dr Rijckaert, Paul Kimmage, en wie na de even koddige als angstaanjagende getuigenissen van een renner als Jörg Jaksche er nog geen idee van had hoe profsport wordt beoefend, is niet alleen naïef, maar gevaarlijk.

Toch waren er ook in de donkere dagen ingezetenen die van binnenuit ‘het systeem’ probeerden te hervormen. En er waren artsen die renners tegen zichzelf in bescherming namen door hen op zijn minst te begeleiden in de praktijk van het drogeren. Maar uiteindelijk is het de kolderieke en wanstaltige omerta die bijna iedere aanwezige medeplichtig heeft gemaakt aan het moeras waarin de wielersport wegzonk. Zelfverstikking is de rode draad in het avonturenromannetje wielersport. ‘Onze mooie wielersport’ die maar een ruifje van niks is waaruit elke opportunist probeerde te vreten, heeft maar een handvol miljonairs opgeleverd, onder wie King Lance.

De renners en oud-renners die onder ede voor Usada getuigden, spreken hun grote spijt uit voor gemaakte keuzes in het verleden; ze waren met andere (betere) bedoelingen het peloton binnengestapt. Stuk voor stuk verklaren ze op aandoenlijke wijze de wielersport hun liefde. Stuk voor stuk hopen ze met hun getuigenis à charge de wielersport, die intussen toch echt op een andere weg zit, vooruit te helpen.

Dit is de tragiek: wie gelooft dat nog? Wie gelooft de huidige generatie wanneer ze stelt clean te koersen? En dit is nog tragischer: al die jaren dat epo en ander snoepgoed van het peloton een quasikomisch inferno maakte was er maar een kleine avant-garde, met Lance op kop, die oprecht van de hel een spelletje wensten te maken. De rest zweeg, tegen hun natuur in, uit een perverse maar toch oprechte liefde voor de wielersport. Het gros werd trendvolger, in het belang van sport en portemonnee. Een enkeling verliet het circus.

De grote lakmoesproef van een veranderde moraal en een nog immenser liefde volgt wanneer de laatste ontwikkelingen in de moleculaire biologie en stamceltherapie neerdalen in de topsport. Die ontwikkelingen bieden zeer veel perspectief voor de zieke mens, maar voor de sport houd ik mijn hart vast.