Als familie van een dader heb je gewoon pech

Deze week rapporteerde de commissie-Samson over seksueel misbruik in de jeugdzorg. Het doet denken aan de zaak tegen de veroordeelde psychiater Theo Finkensieper uit 1990. Zijn familie is tot op de dag van vandaag onzeker over zijn schuld.

Dr. Theo FINKENSIEPER . foto VINCENT MENTZEL/NRCH 1990 90178
Dr. Theo FINKENSIEPER . foto VINCENT MENTZEL/NRCH 1990 90178

Ze waarschuwt als we afscheid nemen: „Je maakt er geen jankverhaal van hè! Dat past niet bij ons gezin. Anders hadden we in 1990 al een jankverhaal opgehangen. Dus pas op, we doen je wat!” Barbara, de jongste dochter van de voor seksueel misbruik veroordeelde psychiater Theo Finkensieper lacht, maar ze meent wat ze zegt. „De humor ervan inzien, dat is onze overlevingsstrategie geweest.”

Had haar vader humor? Barbara blijft even stil. „Hij is natuurlijk al dertien jaar dood hè? En die dertien jaar werden vooraf gegaan door tien jaar ellende. Dus of hij humor had? Geen idee. Hij was geen moppentapper in ieder geval. Hij had wel iets. Een soort charisma. Hij was altijd aanwezig, had altijd wat te vertellen.”

Toen de zaak-Finkensieper de media beheerste, sprak de familie zelden met journalisten. De echtgenote van de psychiater gaf een interview aan het dagblad Trouw. Zijn jongste zus Renate sprak met De Telegraaf. Dochter Barbara stuurde in 1990 een vierregelig briefje aan Trouw omdat ze een onjuistheid had gevonden in een bewering van één van de vrouwen die haar vader beschuldigde: „Met deze brief wil ik aangeven dat zij nooit bij mij in de klas heeft gezeten en nooit op mijn verjaardagspartijtjes is geweest.”

Barbara: „Daar was ik toen heel erg mee bezig. Je las zó veel in de krant dat ik dacht: hoe kunnen we laten zien dat het niet waar is? Maar je kunt niet op tegen zoveel onjuiste publicaties. Tenminste, zo zag ik dat.”

Zoeken naar onwaarheden doet de familie nog steeds. Karl, getrouwd met Theo Finkensiepers jongste zus Renate, bekeek de aan de psychiater gewijde uitzending van Andere Tijden met een blocnote op schoot. Hij noteerde: „Ex-medewerker sprak over ‘geen visie’. Die was er wel degelijk. De ex-cliënte had het over groepen van 15 tot 20. Het aantal was maximaal 12 vanwege de hoeveelheid slaapkamers.”

Karl werkte bijna twintig jaar als groepsleider in Zetten. „Ik denk nog steeds: als details niet kloppen, kunnen die beschuldigingen ook niet waar zijn.”

Renate: „Jarenlang hoopte ik dat één van de meisjes zou opstaan en zeggen: ik heb alles verzonnen. Ik hoopte op verhalen van ex-collega’s. Maar het idee dat zijn onschuld ooit bewezen wordt, heb ik losgelaten.”

Karl en Renate geloven nog steeds dat Theo Finkensieper onschuldig is als het gaat om misbruik van minderjarige psychiatrische patiënten. Maar de psychiater verwekte ook kinderen bij twee volwassen patiënten uit zijn privépraktijk. Renate: „Wij blijven onderscheid maken tussen wat hij met die volwassen patiënten heeft gedaan en wat die meisjes over hem beweerden.”

Theo Finkensieper had bij zijn eigen vrouw vier dochters en één zoon. Vanaf 1970 woonde het gezin op het terrein van de inrichting. De oudste drie kinderen waren het huis al uit toen de eerste verhalen over seksueel misbruik opdoken. Jongste dochter Barbara was net op kamers gegaan.

Barbara: „Ik was een vaderskind, ik keek tegen hem op. Tot 22 november 1988. Toen vertelde hij me dat hij buiten ons gezin nog een kind had.”

Voor Barbara vielen op dat moment de puzzelstukjes in elkaar. „In de periode daarvoor, ik woonde toen nog thuis, werden we regelmatig gebeld. ‘Hij heeft me zwanger gemaakt.’ Brullend aan de telefoon. Mijn zus of ik namen vaak op. Dan moesten wij neerleggen of zeggen dat mijn vader er niet was. Voor de grap zeiden we wel eens tegen elkaar: ‘Oh, ouwe viespeuk.’ In oktober ’88 kwam er een geboortekaartje. De tweede naam van het kind was Theodora! Dus wij lachend tegen pa: ‘Ze heeft het naar jou vernoemd!’ Maar daar reageerde hij niet op. Ik heb geen moment gedacht dat hij echt de vader van dat meisje zou kunnen zijn. Tot die dag in november. Toen wisten we meteen wie die vrouw van die telefoontjes was.”

Kort daarna hoorde Barbara van haar moeder dat nóg een patiënte uit de privépraktijk een zoontje van haar vader had. „Hij heeft mij uitgelegd waarom hij dat heeft gedaan. Bij die ene vrouw was het goed gegaan. Die was er gelukkig mee. Hij ging af en toe op bezoek bij haar en dat kind. Hij heeft het gedaan met het idee: kijk eens hoe mooi dat werkt. Ik vond het geen manier van doen omdat hij niet had nagedacht over de consequenties.”

Laaiend was Renate, de jongste zus van Theo Finkensieper, toen ze van hem hoorde dat hij bij patiënten kinderen had verwekt. „Ik herinner me een gesprek uit die tijd. We zaten in de kelderkamer bij onze moeder. Ik zei: dat had je me wel eerder kunnen vertellen. Theo antwoordde: ik wist wel dat het niet klopte. Ik weer: maar waarom deed je het dan? Wat wilde je met die wijven? Dat vond hij niet prettig, dat ik dat zei. Weet je wat hij zei? ‘Ik heb die vrouwen een toekomstbeeld gegeven. Dan hadden ze iets om voor te zorgen.’ En hij meende dat ook! Hij zei wel eens: je houdt altijd mensen waar je aan blijft hangen. Dat kan je wel zeggen ja. Ik heb hem toch uitgescholden!”

Theo Finkensieper bezorgde één van die moeders zelfs een baantje bij de Heldring-stichting. Zwanger van de geneesheer-directeur bediende ze de telefooncentrale. Renate: „Ik denk uit zijn perspectief. Het hoorde bij zijn wereldbeeld. We zijn altijd sociaal voelend opgevoed. Altijd en eeuwig klaar staan voor de ander.”

De vader van Theo en Renate Finkensieper was van 1939 tot 1960 dominee en directeur van de Heldring-tichting. Renate: „Theo wilde het werk van onze vader afmaken. De uitbreiding en nieuwbouw van de afdeling jeugdpsychiatrie-afdeling De Lingewal was daar zeker een voorbeeld van”. Na het overlijden van dominee Finkensieper werd op het inrichtingsterrein een straat naar hem vernoemd. Theo Finkensieper woonde tot zijn arrestatie op Finkensieperlaan 1. Karl en Renate woonden vanaf 1972 op nummer 5.

Renate liep tijdens haar opleiding maatschappelijk werk stage op de Heldring-stichting, maar ook daarvoor werd ze wel eens ingeschakeld. „Bij ziekte of om een tijdelijke vacature in te vullen werden wel vaker mensen opgetrommeld die op of rondom het terrein woonden”, zegt Renate. „Tijdens één van die invalbeurten was ik mentor van een kind dat rattengif had ingenomen. Ik ben bij een gesprek geweest tussen Theo en dat kind. Hoe hij dat deed! Hij probeerde af te dalen tot het niveau van het kind. Hij probeerde dat kind echt te begrijpen. Ik was daar enorm van onder de indruk. Afdalen tot het niveau van het kind was een term die hij wel vaker gebruikte. Hij had ook een hekel aan de witte jas. Daarmee creëerde je afstand.”

In die jaren zeventig was er weinig afstand tussen werk en privé. Renate: „Na de late dienst kwamen groepsleiders en verplegend personeel langs, zopen een krat bier leeg en gingen weer. ’s Zomers zat je lekker buiten en liepen de pupillen van Karl enthousiast onze tuin in. Ik heb regelmatig gezegd: d’r uit! Op een gegeven moment zijn we verhuisd naar het dorp Zetten. We vonden het niet prettig meer om op het terrein te wonen.”

Barbara: „Ik heb het leven op het inrichtingsterrein nooit als heel negatief ervaren. Het was in ieder geval nooit saai. Mijn moeder heeft wel eens gezegd dat onze tolerantiegrens hoger ligt dan die van de gemiddelde Nederlander. Wij vonden niks gek en het kon altijd gekker. Enkele van de moeilijk opvoedbare kinderen zaten bij mij in de klas.”

Dat gold niet voor de meisjes van jeugdpsychiatrische afdeling De Lingewal. „Die vielen ons echt lastig. Als je naar huis fietste, kon je wel eens een obstakel tegenkomen. Trokken er ineens een stel van die meiden aan je stuur. Of er werd een sigarettenpeuk op je hand uitgedrukt. Ik maakte me daar niet erg druk om. Het hoorde er een beetje bij. Ik heb me ook nooit afgevraagd: wat zal dat kind nou hebben? Ik kende de ziektebeelden van die meiden niet.”

De ‘moeilijk opvoedbaren’ zorgden voor andere onrust. Die gooiden regelmatig stenen door de ruiten van Finkensieperlaan 1. „Of ze slopen rond het huis en stonden naar binnen te gluren. Meestal waren dat meisjes die net waren aangekomen. Heb je weer een nieuwe, vroegen we dan gekscherend aan mijn vader.” Ze kan er nog steeds hartelijk om lachen.

Ze maakt sowieso nergens een drama van. Dat heeft ze van huis uit meegekregen. „In 1985 was er weer eens een bezetting en onze woning werd beklad”, vertelt Barbara. Dat was vlak nadat haar vader was benoemd tot algemeen directeur van de gehele Heldring-stichting. Uit protest tegen die benoeming kalkten actievoerders ‘Mengele leeft’ op de muren van Finkensieperlaan 1. Over de verwijzing naar de Duitse arts die in concentratiekamp Auschwitz medische experimenten uitvoerde, deden haar ouders niet moeilijk. „Er werd zo mee omgegaan dat wij er geen last van hadden. Ik kan me niet herinneren dat ik daar overstuur van raakte.”

Barbara: „Ik weet ook nog dat er een keer een meisje poedelnaakt op het bankje voor ons huis zat. Dan zei ik hallo en liep verder naar school. Dat was één van de meisjes die later een klacht heeft ingediend.”

Renate: „Of hij schuldig was of niet, daar ging de rechter over. Ik heb even getwijfeld of ik hem moest blijven steunen. Maar toen het proces net gaande was, hebben we hier gezeten met aanklachten van die meisjes. Ik weet niet meer hoe we daar aan kwamen. Er waren ook handgeschreven kladjes bij. Sommige anoniem. Ik heb ze jarenlang op zolder bewaard, maar toen Theo overleden was, heb ik alles verbrand.”

Karl: „Een aantal klachten kwam van meiden uit mijn groep. Die waren nooit bij Theo geweest. Die hebben aan de recherche hele verklaringen afgelegd: Theo dit en Theo dat. Daar stonden de meest vreselijke aberraties in. Eén van die meisjes, ze heette Zofie, heeft mij ook beschuldigd van allerlei seksueel gedoe. Onterecht natuurlijk. Dat meisje had veel fantasie.”

Zofie is in 2001 veroordeeld voor een gruwelijke moord. Karl, fluisterend. „Ach, nee! Zofietje… Maar dat kind was hartstikke verknipt.”

Karl merkte weinig van seksuele spanning tussen Finkensieper en zijn patiënten. „Theo was wel altijd betrokken bij de intake. Lichamelijk onderzoek hoorde daar ook bij. Hij wilde weten of die meiden seksueel actief waren geweest, of ze incestslachtoffer waren. Dat ontkenden ze bijna altijd. Als kinderen naar Theo moesten voor onderzoek zeiden ze tegen elkaar: kijk maar uit voor die viezerik. Maar ik heb daar nooit iets achter gezocht. Het leek me logisch dat een pubermeisje het vervelend vond om te worden onderzocht door een dokter. Theo hield ook sessies op het strand met meisjes van De Lingewal. Dan liep iedereen in zijn blote reet. Daar was ook ander personeel bij. Er waren wel mensen die er wat van zeiden, maar het was ook de tijd van ‘alles moet kunnen’. De tijd van sleutelfeestjes en partnerruil. Je deed het gewoon en er werd niet over gesproken.”

Dat Finkensieper werd veroordeeld wegens verkrachting is voor dochter Barbara nog steeds moeilijk te begrijpen: „Weet je, dat seksueel misbruik, dat geloof ik nog steeds niet, maar misschien is het voor mij gewoon niet te bevatten.” Natuurlijk heeft ze het haar vader op de man af gevraagd. „Hij zei altijd: ik heb het niet gedaan, maar dat wil niet zeggen dat het niet gebeurd is. Waarmee hij bedoelde dat het ze wel overkomen zou kunnen zijn, maar dat hij niet de dader was.”

Nog voor hij was veroordeeld, lieten veel vrienden Theo Finkensieper vallen. Renate: „Belangrijke mensen voor Theo. Een bevriend psychiater uit Venlo, de directeur van het Zettense Heldring College en zo kan ik nog wel even doorgaan.”

De moeder van Theo, in die tijd al aardig op leeftijd en inmiddels overleden, bleef haar zoon steunen. Karl en Renate herinneren zich een gevangenisbezoek.

Renate: „Theo was jarig.”

Karl: „Het was in het Huis van Bewaring in Zwolle. Jouw moeder, jij en ik zaten met Theo in zo’n bezoekkamertje. Plus een bewaker. Na een paar minuten zegt je moeder tegen Theo: ik heb nog wat voor je. En ze graaft onder in d’r jas.”

Renate: „In de zoom.”

Karl: „Ze haalt er zo’n end leverworst uit! Met een mes erbij. En we waren allemaal door dat poortje gegaan. Serieus!”

Renate: „Ze had het onder in haar jas genaaid. Die bewaker zat verborgen achter een krant te stikken van het lachen!”

Barbara voelde zich een tijdlang enorm in de steek gelaten. „Door de maatschappij en door de mensen om me heen. Het zou fijn geweest zijn als iemand me had kunnen vertellen hoe hiermee om te gaan. Een tijd terug las ik een interview met de moeder van Sander V., de moordenaar van Millie Boelen. Ze had het over ‘de vergeten groep’ en dan denk ik: daar horen wij ook bij. Als familie van een dader heb je gewoon pech en moet je het zelf zien te rooien.”

Barbara: „Het ergste van de hele zaak? Dat klinkt zo onbenullig. Er gebeurde zoveel in die tijd. Je vader is anders dan je denkt, je ouders scheiden, mensen om je heen willen je niet meer kennen, je hebt ineens een besmette achternaam en vindt dan maar eens werk. Gelukkig kon ik bij mijn voormalige stageplek aan de slag. Toen mijn vader de bak in ging, was Nederland er klaar mee, maar voor mij ging het gewoon door. Het ergste is dat hij ons zo godsgruwelijk bedonderd heeft. Ik bedoel: je hebt een beeld van je vader en dan klopt er ineens geen ene sodeju van. Dat is heel hard.”

Theo Finkensieper overleed in mei 1999. De familie verstuurde in eerste instantie geen kaarten. Ze wilden hem rustig begraven. Op de dag van de crematie meldde het Journaal zijn overlijden. In de kranten verschenen advertenties met ‘Hoera, hij is dood’. „Daar ben ik nu nog wel eens boos over”, zegt Barbara. „Verdomme denk ik dan! Dan kan die dokter F. wel dood zijn, maar dat was wel mijn vader.”