Op zoek naar de verloren tijd

In Pier en Oceaan, zijn eerste roman na tien jaar, bezielt Oek de Jong al wat in zijn zoeker raakt. Maar is dit dikke boek ook een magnum opus in kwalitatieve zin?

Die ijskoude Henri Kist. Een kledingzaak gespecialiseerd in leer. Een autowrak dat bij een sloperij als een moker uit de lucht komt vallen. Een houten hakblok midden in een keuken. Tafeltennis. Lin en Jelmer, vrijend in de duinen.

Het is op de kop af tien jaar geleden dat Hokwerda’s kind verscheen, maar wat roepen die twee woorden nog een rijkdom aan beelden op. Alsof je het boek niet las, maar de schrijver ervan, Oek de Jong, het in de wanden van je kop beitelde.

Bovenal was er die ene magistrale openingsscène, waarin de kleine Lin keer op keer door haar vader over de rietpluimen de rivier wordt ingegooid. Dat begin, daar aan die Friese Ee, met dat vermoeide, de wal opklauterende kind en die harde vader die een zweem van de woorden leek te belichamen die Bordewijks Dreverhaven voor zijn zoon Katadreuffe over had: ‘Ik zal hem wurgen, ik wurg hem voor negen tienden, en dat éne tiende dat ik hem laat, dat kleine beetje asem zal hem groot maken, hij zal groot worden, hij zal, bij God, groot worden!’.

En goddank: ook Pier en oceaan, roffelend aangekondigd als De Jongs ‘magnum opus’, kent met de verzenuwde Dina Roorda in de hoofdrol zo’n bezwerend begin als Hokwerda’s kind. De pasgetrouwde vrouw bevindt zich in de trein naar Amsterdam, vluchtend voor haar leven in Breda, waar ze met haar man Lieuwe woont. De coupé is te klein, mensen bemoeien zich met haar, en dan is er nog die herinnering aan die ochtend, toen Dina’s hospita zich plotseling voor haar ontblootte. Daar in die trein is het al helemaal aanwezig, dat gevoel van opgedrongen intimiteit dat de hele verdere roman zal oproepen.

Dina zoekt de Amsterdamse straten op waar ze opgroeide, maar gaat al snel naar Zandvoort, de plek waar ze jarenlang in een kindertehuis werkte. Ze heeft ontslag genomen nadat ze een korte affaire had met Elena, de directrice. Beschaamd en overhaast is ze vervolgens, we schrijven de vroege jaren vijftig, in het burgerlijke huwelijk met Lieuwe gestapt. Maar iets drijft haar nu dus terug naar deze Elena, en eenmaal in de duinen van Zandvoort bespiedt ze de directrice die met een groep kinderen en een hond over het strand wandelt.

En dan is daar de eerste uitgekiende ingreep in Pier en oceaan waardoor je weer meteen weet waarom De Jong zo’n begenadigd schrijver is. Dina wordt in haar duinpan ontdekt door de hond van het tehuis, die ze met geen mogelijkheid van zich af weet te schudden. Ze probeert weg te komen voor ze ontdekt wordt, want je weet als lezer wat er met zo’n weggelopen hond gaat gebeuren: die gaat de baas zoeken. Met de hond zal Elena Dina vinden, en die zal een hoop moeten uitleggen. Dina de zwangere huisvrouw, die misschien wel veel beter iets met Elena had kunnen hebben.

De Jong, de chroniqueur van het kenterende gemoed, stopte Pier en oceaan vol met dit soort verborgen drijfveren. De tijd waarin de roman speelt is er dan ook naar. De drie generaties Roorda (waarvan Dina een van de middelste telgen is) worden gevolgd tussen 1952 en 1971, jaren waarin zich in Nederland de grote maatschappelijke ommekeer voltrok. Wankelende kerktorens, vloeistofdia’s, ‘hasjiesj’: u kent het verhaal, het is al zo vaak verteld.

Dat De Jong voor zo’n tastbaar fundament heeft gekozen frappeert enigszins. Als iets niet met zijn vorige boeken in verband is te brengen, dan is het wel een specifieke tijdspanne. De Jong lees je om andere redenen: omdat al wat in zijn zoeker verschijnt bezield raakt bijvoorbeeld, of omdat hij net zo goed de wankelmoedigheid van de mens neerzet als diens zintuiglijkheid. Pier en oceaan stelt wat dat betreft niet teleur. Helemaal wanneer Dina naar de achtergrond verdwijnt en het om Abel gaat draaien, haar zoon. In hem herkennen we duidelijk de trekken van Edo Mesch uit De Jongs klassieker Opwaaiende zomerjurken. Abel ontdekt de wereld en de geheimen van zijn ouders en grootouders, niet alleen door te kijken, maar door te ruiken, te betasten en te luisteren. Perplex sta je dan ook wat er allemaal gebeurt als Abel alleen maar zoiets onschuldigs als een badkamer betreedt.

De Jong speelt daarnaast in Pier en oceaan een geraffineerd spel met tegenpolen. Hij laat zien dat we ons vergissen wanneer we liefde en haat of harmonie en ‘onlust’, zoals Abels stemming meer dan eens wordt omschreven, diametraal tegenover elkaar zetten. Zoals de vader in Hokwerda’s kind daar langs de waterkant al twijfelde tussen omarmen of verdrinken, zo slaan ook in Pier en oceaan de gevoelens voortdurend om. Er zijn hooguit flinters geluk of misère in dit boek aanwezig. De enige die zich meent te kunnen wentelen in stabiel geluk, vader Lieuwe, is weliswaar maatschappelijk succesvol, maar ook een man met een bord voor zijn kop.

Door wat wordt dit alles aannemelijk gemaakt? Wat maakt dat de Roorda’s gevoelsmatig zo heen en weer schieten? Natuurlijk ligt dat voor een deel verborgen in dat zwartekousenmilieu, waarin alles is het geniep moet. Maar dat is niet de werkelijke motor. De Jong laat zien dat er nooit één bepalende invloed is die onze perceptie bepaalt. Het kan taal zijn, het kan die ene opmerking zijn die iemand uit het lood slaat, maar altijd is er méér. Waarom intrigeert ons de moord die Meursault in Camus’ De vreemdeling pleegt wél en duizend andere moorden niet? Omdat we niet weten of het de drank, de zon, de wraak of iets anders is dat hem ertoe beweegt. Maar het is er allemaal, op dat strand, en je bent erbij.

Ook De Jong bedeelt zijn personages met die volle zintuiglijkheid, en daarmee de lezer. Alles knettert, wappert, steigert en trilt in Pier en oceaan. Wanneer Abel in een Zeeuws zwembad jaagt op een ‘leeuwin’, een vroegrijp meisje, dan jaag je mee. Wanneer Abel in Friesland afscheid neemt van zijn vriendje Gjalt omdat de familie verhuist naar Zeeland, ben je daar mét hem in dat weiland.

Maar is dit boek nu ook echt dat ‘magnum opus’? Alleen kwantitatief. Want hoewel je met de spaarzame publicaties van De Jong niet weet wat er nog komt, is in elk geval al wel te zeggen dat Hokwerda’s kind een grotere literaire prestatie is dan Pier en oceaan, simpelweg omdat er bij dat boek veel méér sprake is van een compositie, een afgerond universum en een grotere diversiteit aan karakters. Een jonge vrouw (Lin), een man uit de hogere sociale kringen (Jelmer), maar ook een man uit de heffe des volks als Henri Kist: ze werden allemaal voor je ontsloten.

Pier en oceaan heeft een veel eenvoudiger aanpak, met een gemoedelijke, lineaire tocht door de tijd en karakterschetsen die ook veel dichter bij ‘Oek’ staan. Het verhaal van de schrijver zelf, verteld in interviews en profielen door de jaren heen, is immers net zo goed een verhaal dat al in ons hoofd zit. En dat verhaal kennen we dus al, ook al omdat het al voor een deel in Edo Mesch werd gelegd.

Allengs begint zich de gedachte aan te dienen waar het allemaal naar toe moet met dit boek. En dat ‘gaat’ het dan ook niet echt. Na ruim 800 pagina’s, twee decennia woelingen in een familie verder, blijf je alleen met Abel over. In hem wordt dan de schrijver geboren, en los van de vraag waar die roeping nu ineens vandaan komt, blijf je met vragen zitten over de rest van de Roorda’s. Het houdt op een gegeven moment gewoon op voor ze, de dossiers worden gesloten. De grande finale die zo’n groots opgezet project verdient, heeft De Jong niet geschreven. Het lijkt er op dat De Jong met Pier en oceaan de sluizen heeft geopend en het op een ongeremd herinneren heeft gezet. Passages dienen ontegenzeggelijk de volledigheid, maar het is niet de volledigheid van een roman. Waarmee je uiteindelijk tot de constatering komt dat je niets wil overslaan in Pier en oceaan, omdat het zo mooi geschreven is. Maar dat je dit gek genoeg wel zou kúnnen doen.