En maar om de adellijke brij heen draaien

Marjolijn van Heemstra: De laatste Aedema. De Bezige Bij, 256 blz. €18,90

Prinses Margriet trouwde met Pieter van Vollenhoven. Prins Constantijn met Laurentien. En Willem-Alexander met Máxima. Zij kozen alle drie een partner die niet in het rode boekje van de adel voorkomt. In De laatste Aedema, het romandebuut van Marjolijn van Heemstra, wordt dit rode boekje met grote regelmaat ter hand genomen. De jonge mensen die in de roman voorkomen zijn, net als de schrijfster zelf, van adel. Ze zoeken hun wederhelft niet in de wereld van de ‘beegees’, de burgerlijken, maar in de vertrouwde kring van ridders, jonkvrouwen, graven en baronnen. Zo houden ze niet alleen de titels, maar ook eeuwenoude tradities binnen de familie.

Marjolijn van Heemstra geeft in De laatste Aedema een inkijkje in het wel en wee van deze culturele elite, met zijn zegelringen, oorkondes, familiewapens en gulle giften. Vooral leren we Loina barones van Aedema kennen, jongste telg van een oorspronkelijk Friese familie die met uitsterven wordt bedreigd. De 25-jarige Loina, een Rotterdamse rechtenstudente, bezint zich op haar leven, na het overlijden van haar geliefde grootvader. Ze staat voor een moeilijke keus. Moet ze traag en voornaam leven als hij, en haar ogen zoveel mogelijk sluiten voor al het lelijke en onwelvoeglijke in de wereld? Of moet ze juist, zoals haar overgrootmoeder en naamgenote, de wereld intrekken om daar, ver weg, haar adellijke opdracht te vervullen?

Van meet af aan is duidelijk dat Loina zo’n opdracht heeft. Zij mag zich niet zoals het plebs tevreden stellen met kijken naar ‘Boer zoekt vrouw’. Zij moet Goede Werken verrichten. Maar ze weet niet goed wat. En tegelijkertijd verzet ze zich tegen die opdracht die haar door geboorte en traditie is opgedrongen. Die innerlijke strijd put haar nogal uit. ‘Een vermoeidheid verspreidt zich door mijn lichaam’, lezen we. En verderop: ‘Ik voel alleen vermoeidheid.’ En weer wat later: ‘Ik voel me (...) doodmoe.’ Haar impasse, haar onmacht om richting te geven aan haar leven, weerspiegelt zich in de roman als geheel.

Ook De laatste Aedema maakt een wat vermoeide, lusteloze indruk. Er staan heel veel houterige zinnetjes in over stoffig familieantiek, weggelopen tantes, onvruchtbare ooms en zoekgeraakte botten en schedels, maar het wil maar geen samenhangend geheel worden, met een duidelijke kern.

Van Heemstra blijft steeds om de adellijke brij heen draaien. Pleit het nu voor grootvader Aedema dat hij altijd wel een kwartier zat te kauwen (‘als een oude giraffe’) op een boterham, of is dat juist wat onsmakelijk? Moeten we het waarderen dat jonge graven en baronessen vrijwillig met bejaarden uit wandelen gaan? Of dringen ze zich juist op aan die weerloze oudjes die helemaal niet naar buiten willen? Is het erg dat de baron en barones van Steenverlaat moeten dulden dat hun tuin is ingenomen door asielzoekers? Of dragen zij met het beschikbaar stellen van hun erf juist bij aan een groot maatschappelijk vraagstuk? Zijn mensen van adel hoogstaander dan gemiddeld omdat ze zo’n warme belangstelling hebben voor onderwijs, cultuur en geschiedenis? Of zijn ze juist een beetje mal omdat ze net iets te veel doordraven over een betere wereld? Veel vragen, geen antwoorden.

En zo modderen we langzaam naar het einde van deze brokkelige familiegeschiedenis. Onze rechtenstudente neemt na een impasse van een jaar dan toch nog een besluit. Ze gaat niet opnieuw aan de studie. Ze gaat ook niet aan het werk. Ze gaat op reis. Met onbekende bestemming. Op zoek naar een missie, zo lijkt het. Barones zoekt doel.