Een kunstzinnig kopiërende hoogleraar

In de wetenschap geldt autoplagiaat als fraude. Al schilderend overtuigt hoogleraar Peter van Bergeijk vakgenoten van het nut van plagiëren.

„Ik heb met mijn studenten overlegd over hun scripties, terwijl ik schilderde”, vertelt Peter van Bergeijk. Hij is hoogleraar en beeldend kunstenaar. In de kelder van zijn wetenschappelijk instituut heeft hij een atelier ingericht. „Ik wilde weer een groot olieverfschilderij maken en had daarvoor een grote ruimte nodig.”

Het schilderij waarop enkele struisvogels weglopen van een soortgenoot, is niet origineel. Het is een kopie van een sjabloondruk die Van Bergeijk vier jaar geleden maakte: „Alleen met veel vrolijker kleuren zoals lichtblauw.” Het doek is sinds gisteren te zien op Van Bergeijks tentoonstelling Derivatives (Afgeleiden) met schilderijen en prenten, die allemaal kopieën zijn van eerder werk.

Met dit kunstzinnige kopieerwerk wil Van Bergeijk vooral zijn wetenschappelijke vakbroeders een boodschap brengen: „Ga meer namaken en andermans werk overdoen!” Dat is vloeken in de kerk, want in de wetenschappelijke wereld geldt autoplagiaat als een milde vorm van fraude. Plagiaat is zelfs een van de drie hoofdzonden – naast het verzinnen en kneden van onderzoeksgegevens. Maar Van Bergeijk denkt dat juist het na-apen kan helpen bij de bestrijding van wetenschapsfraude.

Het debat over gesjoemel in de wetenschap is een jaar geleden opgelaaid nadat Tilburgse psycholoog Diederik Stapel de onderzoeksgegevens voor tal van artikelen verzonnen bleek te hebben. Afgelopen week kwam aan het licht dat artikelen van de Rotterdamse internist Don Poldermans zijn gebaseerd op een database met gefingeerde patiëntengegevens. Een veelgehoorde verklaring voor de fraude is publicatiedwang; wetenschappers moeten heel veel artikelen schrijven omdat benoemingen en subsidies (deels) afhankelijk zijn van de productie.

Van Bergeijk denkt dat de neiging om de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn voorkomt uit ‘originaliteitsdwang’: de druk op wetenschappers om met iets nieuws te komen. „Een artikel dat iets bevestigt dat al eerder was gevonden maakt weinig kans om te worden gepubliceerd, ook al kan zo’n bevestiging de wetenschappelijke kennis versterken”, zegt Van Bergeijk. „Artikelen met afwijkende, liefst spectaculaire resultaten maken meer kans in een tijdschrift te komen.”

Wetenschappers worden zo niet aangemoedigd om andermans werk over te doen. Terwijl het herhalen van eerder onderzoek, het zogeheten repliceren, een belangrijk controlemiddel is. Als een onderzoek niet herhaald kan worden, is het misschien een eenmalige uitschieter geweest – of het resultaat van fraude. „In de natuurwetenschappen worden onderzoek gerepliceerd”, zegt Van Bergeijk, „in andere wetenschapsgebieden gebeurt dit veel minder”.

Wetenschappers moeten volgens Van Bergeijk een voorbeeld nemen aan de beeldende kunsten. Daar is je eigen werk namaken geaccepteerd, leren de zonnebloemen van Van Gogh en de Marilyn Monroe-prenten van Warhol. Andermans werk kopiëren mag, als de kunstenaar er zijn eigen draai aan geeft; denk aan Van Gogh die de plattelandstaferelen van Millet naschilderde. „Je hoeft in de beeldende kunst bij het kopiëren niet eens zoveel te veranderen om het tot iets eigens te maken”, zegt Van Bergeijk.

In zijn eigen werk zijn minieme veranderingen genoeg. „Bij de steendrukken die ik maak is de ene afdruk net wat anders is dan de andere”, vertelt de hoogleraar. Bij het etsen biedt het zuur dat groeven uitbijt in de koperen plaat mogelijkheden: „Dan ga ik tussen de afdrukken door met een naald wat krassen in de etsplaat.”

De ‘plagiaatprenten’ zijn nu te zien in Van Bergeijks eigen instituut, deel van de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Daarna gaan ze naar andere universiteiten waar wetenschappers hopelijk aan het denken worden gezet”, zegt Van Bergeijk. „Want gebrek aan originaliteit is de redding van de wetenschap.”

Derivatives (Afgeleiden) te zien in het International Institute of Social Studies, Kortenaerkade 12, Den Haag.