Een broek zegt wie je bent

Om bij de groep te horen dien je je te onderscheiden. Dus creëer je meerdere versies van jezelf, om maar anders te zijn.

Schrijfster

Het zou zo leuk moeten zijn, een avondje uit, maar juist daarom is het zo lastig: „Ik zal je even voorstellen. Dit is Gien, en die daar, dat is Peter, oh, zij Iris in die rode trui, zij schrijft ook en dit is dan Mark, over wie ik het gisteren had.” Je stapt binnen, zegt iedereen gedag en zoekt een plekje. Niet aan tafel, nee, je zoekt een plekje binnen de groep, de micromaatschappij die je zojuist bent binnengetreden.

Die eerste, twijfelachtige minuten waarin je nog meer buitenstaander dan deel van bent, is het altijd wat penibel om binnen de groep iemand tegen te komen met hetzelfde beroep als jij; aan een beroep kun je zomaar je hele bestaansrecht, je hele identiteit ophangen. En er dan achter komen dat het jouwe al vergeven is. Gelukkig ben je meer dan je beroep, en kom je vanavond een heel eind als De Vrouw met de kater en het spannende nachtleven (een identiteit draag je altijd twee maten te groot).

Ik heb daarom gekozen voor de identiteit van schrijfster, me geheel bewust van de gewichtige uitstraling die deze identiteit uitdraagt. Het doet vermoeden dat ik achter een bureau zit van iemand die al gearriveerd is, die af en toe eens iets opstuurt. En dat dit vervolgens zonder twijfel – hooguit wat komma- en wat die-en-dat- werk – direct naar de drukker gaat. De persoon die achter dit bureau zit, is baas van zijn eigen ideeën en tijd en juist omdat hij dat is, komt het leven naar hem toe en niet andersom. Het zaakje loopt. Het leventje loopt.

Het is een boeiende paradox: om bij de groep te mogen horen, dien je je eerst te onderscheiden. Pas als je, in relatie tot de groep, een duidelijke plek hebt ingenomen, kun je getrakteerd worden op dat groepsgevoel. Je balanceert dus voortdurend tussen erbij willen horen en je willen onderscheiden en daarbij is je identiteit van sociaal levensbelang: het verzekert je van een plek in de maatschappij.

Niet alleen op avondjes uit kom je andere versies van jezelf tegen. De wereld is er vol mee. De ergste zijn de mensen die jouw identiteit als een subidentiteit erbij genomen hebben; mensen die tussen de bedrijven door even een boekje schrijven. Niet alleen maakt je identiteit geen indruk meer op ze, maar ze reduceren jouw bestaan ook nog eens tot een bijzaak. De beste versies van jezelf om tegen te komen zijn van de andere sekse: iemand van de andere sekse is toch minder bedreigend. Het zijn echter vaak meisjes. Net als jij. Meisjes van eind twintig. Net als jij. Meisjes die op literaire debatten en op modefeestjes rondhuppelen. Net als jij. Meisjes die af en toe in een blaadje staan. Net als jij. Meisjes die literaire prijzen gewonnen hebben. Niet net als jij. Die plek hoef je godzijdank niet met ze te delen. Omdat je ongeveer je hele identiteit met ze deelt, ben je in het buitenland gaan wonen. Zo onderscheid je je. Zij hebben literaire prijzen, jij hebt het buitenland. Zij komen er weleens, maar jij woont er, het buitenland is toch een beetje van jou. Net als India, waar je zoooveel gereisd hebt en zooo van houdt. En pure chocolade 85 procent van Lindt. Hoort allemaal bij jou.

Milan Kundera heeft mij uit deze zoete droom geholpen. En ik had het net zo goed voor elkaar. In zijn pléiade (niet het weekdier, maar het verzameld oeuvre dat postuum wordt opgezet bij belangrijke auteurs – wat de vraag oproept hoe het komt dat Kundera nu al zijn eigen pléiade heeft) las mijn vriend in l’Immortalité over ‘imagoïsme’. Ik las alleen de betreffende bladzijden: het jezelf toe-eigenen van objecten en ervaringen om een persoon om je eigen naakte (en saaie?) zelf te creëren. Je regisseert je eigen imago door alles wat erbij past te vergroten en alles wat er niet bij past te vergeten. Een juist pleidooi van Kundera, maar wat dan wel weer jammer is, is dat de schrijver zelf al zijn eigen postuum geregisseerd heeft door zijn eigen pléiade samen te stellen (en te beroven van zijn mindere werk). Dat is jammer, want die persoon achter dat bureau, dat ben jij niet, dat is je identiteit. En als je blijft rondlopen in twee maten te groot moet je voortdurend uitkijken dat je niet uitglijdt, en dan blijft er weinig tijd over voor de persoon die echt achter het bureau zit die, gekleed in een badjas die te vaak gewassen is en waarvan de mouwen net te kort zijn, tientallen smeekbedes aan redacties schrijft. Maar succes heeft nou eenmaal succes nodig, geen smeekbedes.

Nog even langs die ene boetiek dus. Vanavond is er weer een avondje uit en er zijn zo veel meisjes die op jou lijken dat je een nieuwe broek nodig hebt. Je loopt het pashokje uit. De broek doet wat-ie op een van de paspoppen in de etalage belooft: in de lengte groeien, in de breedte krimpen. Het resultaat is zodanig dat je gaat geloven dat je al die tijd in de verkeerde pasvorm rondgelopen hebt – ook al weet je dat de spiegels in modeboetieks altijd voordelig uitpakken. En daarbij te denken dat je jezelf in de spiegel kunt zien zoals je bent, is een farce die heel chic ‘morphoïsme’ heet. In de spiegel zie je perceptie, geen werkelijkheid. Je ziet je identiteit, niet jezelf. Je zou een voorbeeld aan Narcissus kunnen nemen, die letterlijk in zijn eigen spiegelbeeld verdronk. Maar wil je jezelf eigenlijk wel zien? Kijk je niet liever naar je opgepoetste afgeleide?

„Ah ben je daar! Goed zo. Kijk, dit is Roxanne, zelfde beroep als jij, oh en wat leuk, kijk nou, ook nog dezelfde broek! Jullie gaan het vast goed met elkaar vinden!”

Ach wat zou je graag een voorbeeld aan Narcissus nemen.