Het beste land voor een migrantenkind

sociologie

Kinderen van migranten komen in Frankrijk en Zweden het best terecht. Het onderwijssysteem daar geeft ze meer kansen.

In Zweden gaan zes keer zoveel kinderen van Turkse gastarbeiders naar het hoger onderwijs als in Duitsland. Het gaat om kinderen met dezelfde achtergrond, in veel gevallen kwamen hun ouders uit dezelfde streek.

Waarom?

De manier waarop het onderwijs in die landen is georganiseerd, heeft een groot effect op het succes, of het falen, van de migrantenkinderen.

Het is een van de conclusies uit een grootscheeps Europese onderzoek naar ‘de tweede generatie’. Onderwijssocioloog Maurice Crul, hoogleraar onderwijs en diversiteit aan de Vrije Universiteit Amsterdam, coördineerde het. Samen met Europese collega’s vergeleek hij de school- en arbeidsloopbanen van tienduizend jonge volwassenen. Ze kwamen uit dezelfde etnische groepen, maar woonden in acht verschillende landen: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Zweden, Zwitserland en Oostenrijk. De studie The European Second Generation Compared, met gegevens uit 2007 en 2008, is net verschenen.

Kinderen van Turkse gastarbeiders zijn de ideale onderzoeksgroep omdat hun ouders naar alle onderzochte landen emigreerden. Daarnaast werden ook kinderen van Marokkaanse migranten en van arbeidsmigranten uit het voormalige Joegoslavië geïnterviewd. De verschillen binnen die etnische groepen zijn opmerkelijk. Zo presteren Turkse kinderen in Zweden veel beter dan in Duitsland. Maurice Crul: “Je ziet de zwakke plekken als je landen onderling vergelijkt. Die kun je beter aanpakken, als je kunt leren van landen die het beter doen.”

In Zweden gaat minder dan 10 procent van de tweede generatie Turkse jongeren zonder diploma van school. Bijna 30 procent gaat naar het hbo of naar de universiteit. In Duitsland bereikt maar 5 procent van de tweede generatie Turkse jongeren een hogeschool of universiteit. In Duitsland valt een derde zonder diploma uit, net als in België trouwens.

Nederland is een middenmoter: ruim een kwart van de Turkse jongeren valt uit. Ruim een kwart studeert aan een hogeschool of universiteit.

De onderzoekers dachten eerst dat de tweede generatie het zo goed doet in Zweden door het ‘multiculturalistische migratiebeleid’ van de Zweden. Migranten in Zweden worden in de watten gelegd. Er zijn voorzieningen voor de verschillende migrantengroepen zoals onderwijs in eigen taal en gesubsidieerde migrantenorganisaties. Er is geen gedoe over het vieren van religieuze feestdagen. Er is, kortom, in Zweden aandacht en geld voor deze groep. Toch bleek dat niet de reden voor het succes. Dat had te maken de organisatie van het onderwijs.

In Zweden gaan vrijwel alle kinderen vanaf twee jaar naar de barne. Die is vergelijkbaar met de Nederlandse crèche maar dan met hoger geschoold personeel. Omdat alle kinderen ernaartoe gaan, zitten allochtone en autochtone kinderen er door elkaar. Dit geldt ook voor Frankrijk, waar alle kinderen met tweeënhalf jaar naar de maternel gaan. Op de basisschool in Zweden (en ook Frankrijk) zijn de kinderen hele dagen onder de pannen: school en naschoolse opvang lopen naadloos in elkaar over. Elk kind dat naar de basisschool gaat, spreekt daardoor vloeiend Zweeds (of Frans).

In Duitsland bleven veel van de Turkse migrantenkinderen tot zes jaar thuis, net als veel Duitse kinderen. Het was dus afhankelijk van hun ouders wat ze tot die tijd leerden. Op de basisschool in Duitsland duurt de lesdag tot één uur. De meeste Duitse moeders halen hun kinderen dan zelf op. Van de ouders wordt verwacht dat zij de kinderen ’s middags helpen met lezen en schrijven.

Vooral voor migrantenkinderen maakt dit groot verschil. In Zweden en Frankrijk krijgen hebben zij op jonge leeftijd een grotere kans om mee te komen met hun autochtone leeftijdgenoten dan in een land als Duitsland. De Duitse migrantenkinderen beginnen de basisschool met een grotere achterstand.

Niet alleen het onderwijs aan jonge kinderen heeft groot effect op de verdere schoolcarrière, ook de manier waarop het onderwijs daarna is georganiseerd. In Zwitserland gaan maar weinig Turkse jongeren van de tweede generatie van school zonder diploma, ook vergeleken met Duitsland en Oostenrijk – terwijl het schoolsysteem in die drie landen op elkaar lijkt.

Uit het onderzoek blijkt dat de overgang van lager beroepsonderwijs (lbo) naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Zwitserland beter is georganiseerd. Net zoals in Duitsland en Oostenrijk gaat het overgrote deel van de Turks-Zwitserse jongeren naar het lbo. Op het mbo moeten ze stage lopen. Zwitserse jongeren worden daarbij intensief begeleid.

In Duitsland en Oostenrijk, maar ook in Nederland, gaat het vaak fout omdat allochtone jongeren niet aan een (goede) stageplaats kunnen komen. Ze moeten dat zelf regelen. In Zwitserland vinden allochtone jongeren even vaak een stage als autochtone jongeren.

In Nederland

Kinderen van migranten in Nederland doen het beter dan de Duitse, maar minder goed dat hun Zweedse leeftijdgenoten. In Nederland valt op dat de verschillen binnen de tweede generatie het grootst zijn van alle onderzochte landen. Ook dat zit ingebakken in het systeem.

In Nederland gaan de kinderen van vooral hoger opgeleide ouders soms al met drie maanden naar de crèche. Ze volgen daar, zegt Crul, een best intensief programma. “Er wordt de hele dag Nederlands met ze gesproken. Zeker de peuters leren de hele dag door spelenderwijs allerlei vaardigheden.”

Laagopgeleide ouders, die minder verdienen, kunnen die dure kinderopvang niet betalen. In het beste geval gaan hun kinderen drie dagen in de week een ochtend naar de peuterspeelzaal of ‘voorschool’. Daar zitten ze tussen kinderen van andere laagopgeleide ouders, die vaak dezelfde taalachterstand hebben als zijzelf. Crul: “Als deze kinderen op vier- of vijfjarige leeftijd naar de basisschool gaan, hebben ze een achterstand die ze nauwelijks meer kunnen inhalen.” De jongeren die het niet redden, vallen uit als voortijdig schoolverlater en komen op de arbeidsmarkt zonder geldig diploma.

Waarom is de groep die het niet redt best groot, vergeleken bij landen als Zweden en Zwitserland?

Uit het onderzoek blijkt dat het misgaat op de middelbare school. In Nederland worden kinderen op twaalfjarige leeftijd geselecteerd. Driekwart van de migrantenkinderen gaat naar het vmbo, de rest naar havo en vwo. Na het vmbo – ze zijn dan zestien jaar – kiezen de meeste leerlingen een mbo-opleiding.

Met een mbo-diploma kan je aan het werk, of naar het hbo. Met name kinderen van migranten komen via het mbo op het hbo terecht. Dit ‘stapelen’ is typisch Nederlands. Het verklaart waarom er relatief veel kinderen van migranten uiteindelijk op een hogeschool of universiteit terecht komen. Maar als een mbo-leerling zijn opleiding niet afmaakt, is de leerling is een voortijdig schoolverlater. Crul: “De afstand tussen slagen en mislukken is klein.”

Het Nederlandse systeem pakt nadelig uit voor de zwakkere leerlingen, zegt Crul. “Juist de kwetsbaarste leerlingen laten we vanaf hun zestiende zelf hun lot bepalen. Ze worden student genoemd. Ze krijgen meer vrijheid, moeten zelfstandig zijn. Ze moeten zelf plannen en zelf beslissen of ze naar school gaan of niet. De best presterende leerlingen houden we tot hun achttiende jaar in een beschermde schoolomgeving waar we goed op ze letten.”

In de meeste Europese landen blijven álle jongeren in die beschermde schoolomgeving tot ze achttien zijn. Crul: “Het aantal voortijdig schoolverlaters ligt daar een stuk lager.”

Het andere uiterste is Oostenrijk: daar zijn jongens en meisjes al vanaf hun vijftiende niet meer leerplichtig. Dat is net het moment dat ze stage gaan lopen voor hun beroepsopleiding. Als het vinden van een stageplek om een of andere reden tegenzit, is er geen stok achter de deur. Oostenrijkse meisjes uit migrantengezinnen blijven dan ook vaak thuis na hun vijftiende.

En dat terwijl juist meisjes belangrijk zijn. Hoog opgeleide vrouwen van de tweede generatie spelen een sleutelrol in de maatschappelijke stijging van de groep als geheel, zegt Crul. Alleen als zij gaan werken (parttime of fulltime) is het inkomen zodanig dat er een huis gekocht of gehuurd kan worden in een betere buurt. Dan komen de kinderen op school met kinderen van gemiddeld tot hoog opgeleide ouders, waardoor ze zelf ook weer beter scoren.

“Vrouwen die eenmaal hebben gewerkt, verlaten de arbeidsmarkt ook niet zo snel als er kinderen komen, zegt Crul. “Ze hebben de vrijheid geproefd die een eigen inkomen met zich meebrengt, en dat geven ze niet meer op.”

Voor deze vrouwen, en dan is de cirkel rond, maakt het uit hoe het onderwijs en de kinderopvang voor jonge kinderen is georganiseerd. Crul: “Van de Duitse moeders werkt slechts eenderde, het merendeel parttime. Van de Zweedse moeders werkt tweederde, het merendeel fulltime. Goede kinderopvang is dus gunstig omdat moeders kunnen werken, én omdat de kinderen de taal leren.”

Smeltkroezen

Rechts-populistische partijen roepen steeds dat de immigratie moet stoppen. Crul: “We weten inmiddels dat dat niet kan. De grote Europese steden zijn smeltkroezen van verschillende groepen. Amsterdam is al wat ze in Amerika een majority minority city noemen; de autochtone groep is de grootste minderheid in een stad vol andere minderheden.”

Dat vereist een andere kijk op integratie, vindt Crul. “Tweederde van de jeugd in Amsterdam heeft een niet-Nederlandse achtergrond. In een stad waar iedereen een minderheid is, zal iedereen zich aan iedereen moeten aanpassen. De boodschap die politici uitdragen dat allochtonen zich moeten aanpassen, is achterhaald door de feiten.”

Die boodschap werkt bovendien averechts, zegt Crul: “De goed opgeleide migrantenjongeren zeggen: ‘Hoezo aanpassen? Ik ben hoog opgeleid, ik werk, ik doe vrijwilligerswerk, ik voed mijn kinderen goed op. Waaraan aanpassen?’ Zij voelen zich door het geroep over aanpassen eerder uitgesloten.”

We hebben in Nederland te weinig oog voor de grote veranderingen binnen de tweede generatie, stelt Crul. Vooral de meisjes en vrouwen maken in één generatie zo’n sprong, dat is nog nooit vertoond. Ook niet in de jaren zestig van de vorige eeuw in Nederland. “We moeten af van het paternalistische integratiebeleid waarin de Nederlanders weten wat goed is voor de allochtonen. Emancipatie moet uit henzelf komen.”

De succesvolle migrantenkinderen hebben een spilfunctie, zegt Crul. Ze hebben moderne opvattingen over gelijkheid tussen man en vrouw en over de verdeling van werk en zorg – blijkt uit het onderzoek. Ze hangen een moderne vorm van de islam aan, schakelen moeiteloos tussen twee culturen en hebben vaak een inter-etnische vriendengroep, veel vaker dan hoog opgeleide autochtonen.

Over deze succesvolle migrantenkinderen is nog weinig bekend. Crul leidt samen met zijn Duitse collega Jens Schneider momenteel een internationaal vergelijkend onderzoek juist naar deze groep. Crul: “In de discussies over integratie gaat het altijd over de migranten die het maar moeizaam redden. Er is weinig of geen aandacht of geld voor de groep die het goed doet.”

Dat moet anders, vindt hij. Want een goede allochtone leerling op het hoogste niveau van het vmbo kan vaak met een klein zetje naar de havo. Het gaat er bij deze kinderen om, zegt Crul, “dat ze geloven in eigen kunnen. Dat ze leren hoe ze moeten leren. Zaken die veel autochtone kinderen van hun ouders leren.”