Analist

Zelden zo verdrietig geweest als deze woensdagavond, toen het kermen over de smadelijke nederlaag van Ajax tegen Real Madrid op de NOS maar bleef duren. De afgang van Ajax interesseerde me niet, de retorische koketterie van Jack van Gelder nog minder. Ik wou niet zien hoe academisch ostentatief Frank de Boer teleurstelling speelde. Veel liever was hij de spelers van Real in de armen gevallen.

Kunstbroeders.

Mijn verdriet kwam door de aanwezigheid van Bert van Marwijk. Ook hij analist bij de gratie Gods? En ook nog naast Jan van Halst?

Wie naast deze flipperkast wil zitten, mag het zeggen – zonder ernstige vorm van autisme houd je het niet vol. Het moralisme van dit pseudowetenschappertje is niet te harden. Ineens ga je vurig verlangen naar de tv-show van Willem Holleeder. Naar iets van het echte leven.

Schimmel geen bezwaar.

Naast de darm, Jan van Halst, zat dus Bert van Marwijk. Mijn Bert en tot voor kort een vader des vaderlands. Ik schreeuwde nog: loop weg, man, veins dat je de hond moet uitlaten, verzin desnoods een kaarttoernooi in Meerssen, maar haast je die godverdomde studio uit.

Bert bleef zitten.

Van zijn mooie grijze hoofd dat smeekte om in brons te worden gegoten, bleef niets meer over. Nou ja, nog wel die strakke blauwe ogen die altijd keken naar een horizon achter zijn gehoor.

Waar misschien wel kristallen paarden liepen.

Het leek wel of hij op een nagelbed zat: ongemakkelijk, tegendraads. Met onnoemelijke tegenzin hakkelde hij zich moeizaam een paar zinnen door over omschakeling, zelfvertrouwen, maturiteit…

Dat de Ajacieden als schlemielen speelden, wou hij natuurlijk niet gezegd hebben. Op slag werd hij wat hij nooit eerder in zijn hele leven was geweest: diplomaat. Hij lispelde alleen nog goedmoedig medeleven voor zich uit.

Analist? Nee, een gegijzeld pratend hoofd, ten prooi aan zelfcensuur.

Bert kent de pijn van de eenzame bondscoach die zo vaak in de afbranding van collega’s moest staan. Ook tv-analisten. Zo wil hij niet zijn. Dat mag niet van zijn fatsoen. En dus kon hij over de wedstrijd Ajax-Real alleen maar wat algemeenheden rondzingen die niemand persoonlijk raakten.

Bert was Bert niet meer.

Toen ik hoorde dat hij analist bij de NOS zou worden, wist ik al: einde van de mysterieuze gondelier die zo mooi kon deinen langs de zijlijn. Nu koning van nietszeggendheid.

Ineens een vreemde. Geketend. De lieve man die zo goed de vreugde van het woord kende, was dood.

Mond vol meel.

Namens zijn zelfgekozen fatsoen.

Ik begrijp dat een bondscoach na een jarenlang nomadenbestaan wel weer eens het huis uit wil. Graszoeker, tenslotte. Bang voor de massa die hem in onbewaakte ogenblikken alleen maar wil bepotelen. Maar is er dan geen andere herbergzaamheid dan een tv-studio?

Als analist martelt hij alleen zichzelf. Niemand beter dan Bert weet dat hij geen pratend hoofd is. Altijd sneeuwde hij dat mooie hoofd weg bij idiote vragen.

Zoals hij daar nu zat, het hoofd vast geschroeid in verplichte meninkjes, zag ik alleen maar lijden.

Had hij zich maar in brons laten gieten.

Ik verlangde naar de grondeloosheid van zijn zwijgen. Naar de oude, afstandelijke grimas. Niet dat fabriekje van meninkjes. En ik smeekte hem bijna: Bert, loop terug je eigen leven in. Hoed u voor het populisme van de laatste zin. Hoed u zoals vanouds voor elke zin.

Na de uitzending dempte ik het licht en zette Jacques Brel op. Hij zong: „Een goede vriend zien sterven kan ik niet.”

Ik snikte mee.