Zonder staat geen rijkdom

Nogales is een gedeelde stad. In het noorden is het gezinsinkomen rond de 30.000 dollar per jaar. De meeste kinderen gaan naar school; de ouderen hebben toegang tot gezondheidszorg; en de inwoners begeven zich over het algemeen onbezorgd over straat.

In het zuiden van de stad daarentegen moeten de gezinnen rond zien te komen van minder dan 10.000 dollar. Lang niet alle kinderen krijgen onderwijs en gezondheidszorg is niet gegarandeerd. De inwoners zijn voorzichtig. Misdaad en corruptie maken het leven onaangenaam en onvoorspelbaar. Noord en zuid Nogales worden gedeeld door een zwaar bewaakt hekwerk.

Nogales ligt precies op de grens van de VS en Mexico. Waarom zijn sommige landen rijk en andere arm? Waarom is het noorden van Nogales veel welvarender en veiliger dan het zuidelijke deel van de stad? Waarom is de levensstandaard in Noord-Korea vergelijkbaar met die van de armste landen in Afrika, terwijl die van de Zuid-Koreanen rond het Europese gemiddelde ligt – tien keer hoger?

In Why nations fail geven Daron Acemoglu (Massachusetts Institute of Technology) en James Robinson (Harvard University), twee van Amerika’s meest prominente sociale wetenschappers, een verklaring voor het opmerkelijke en persistente verschil tussen welvaart en armoede in deze wereld. En hun uitleg is verleidelijk simpel: It’s the politics, stupid!

Acemoglu en Robinson zijn niet de eersten die op zoek gaan naar een historische uitleg van de tegenstelling tussen rijk en arm. Er zijn diverse grote geschiedenissen geschreven, met uiteenlopende verklaringen. Geografie en klimaat zouden de bepalende factoren zijn. Ontvankelijkheid voor ziekten is genoemd. En vooral cultuur is dikwijls gesuggereerd.

Cultuurverschillen zoals religieuze overtuigingen en dominante maatschappelijke waarden of ethiek zouden de mondiale verschillen tussen armoede en welvaart verklaren. Acemoglu en Robinson verwerpen de ‘fysieke’ verklaringen. Nogales en Sonora (zoals het Mexicaanse deel van de stad heet) liggen op dezelfde breedtegraad, in dezelfde klimaatzone. En dat geldt in feite ook voor beide Korea’s en, tijdens de Koude Oorlog, voor beide Duitslanden.

Cultuurhypothese

Acemoglu en Robinson hechten meer betekenis aan de cultuurhypothese, en dan vooral aan de verschillen in politieke cultuur. Arm en rijk is in belangrijke mate een kwestie van de wijze waarop samenlevingen hun politieke orde inrichten, menen ze. Het is een zaak van politieke instituties. En de redenering is als volgt: inclusieve economische en politieke instituties (rechtsstaat, democratie, privébezit) genereren economische groei en welvaart, terwijl repressieve instituties mensen initiatief ontnemen en daarmee economische groei en ontwikkeling frustreren. Rijke landen zijn rijk omdat ze er in de loop van de geschiedenis in zijn geslaagd instellingen te creëren die mensen vrijheid en zeggenschap geven.

De dynamiek van inclusieve instituties bevordert een opwaartse spiraal (een virtuous circle) waarin het maatschappelijk initiatief van burgers wordt gestimuleerd en gereguleerd. De ontwikkeling van inclusieve politieke en economische instituties is geen historische onvermijdelijkheid, benadrukken Acemoglu en Robinson. Ze is ook bepaald door toevalligheden, door omstandigheden die samenkomen – critical junctures in het sociaal-wetenschappelijke jargon. De opwaartse spiraal is dus evenmin onvermijdelijk als onomkeerbaar, maar op een gegeven moment zal de ontmanteling van een inclusieve orde zelfs voor de maatschappelijke en politieke elite onaantrekkelijk blijken.

Arme landen daarentegen zijn arm, omdat dergelijke inclusieve instituties nooit van de grond zijn gekomen. Elites beschikken niet over de verbeeldingskracht en de moed om macht en bezit te delen. Politieke uitsluiting bevordert economische uitbuiting en renteniersgedrag, die weer tot politieke repressie noopt – een vicieuze cirkel, een spiraalbeweging naar beneden.

Acemoglu en Robinson beweren niet dat autoritaire of extractive instituties geen economische groei kunnen bewerkstelligen. Er zijn volop voorbeelden van landen die onder linkse of rechtse dictaturen aanzienlijk zijn gemoderniseerd. Maar uiteindelijk, zo stellen de auteurs, lopen autoritaire regimes vast. Uiteindelijk stuiten ze op de grenzen van hun repressieve, parasitaire politieke en economische orde.

Acemoglu en Robinson hebben dus niet zoveel op met de sinds enkele jaren populaire notie van ‘autoritair kapitalisme’, die zegt dat voor economische groei en modernisering politieke democratie noch markteconomie vereist zijn. Het is hoogst onwaarschijnlijk, concluderen beide auteurs, dat Rusland of de Chinese Volksrepubliek, twee prominente autoritaire markteconomieën, in het huidige tempo zullen blijven groeien – tenzij ze een fundamentele politieke transformatie doormaken.

Tijdgeest

Why nations fail is juichend ontvangen in de VS. De blurbs op de cover van het boek lezen als een who is who in de hoogste regionen van de sociale wetenschappen. Het boek is inderdaad vlot geschreven, goed leesbaar, en zonder te veel hinderlijk jargon. Belangrijker echter lijkt me dat Why nations fail in zekere zin zowel de politieke als de academische tijdgeest weerspiegelt. Waarom ontwikkelt het ene land wel en het andere land niet de instituties die groei en welvaart bevorderen? Het antwoord is: de staat. Zonder staat, zonder overheid, geen welvaart, geen rijkdom. Democratie, vrije markt en liberalisme zijn uit – ze worden nauwelijks genoemd in het boek. Goed bestuur en stevige overheidsbemoeienis zijn in.

Why nations fail is niet zozeer een pleidooi voor vrijheid of de vrije markt, maar voor krachtige en dynamische instituties, voor een stabiele, verantwoordelijke en effectieve overheid – en dat gaat er tijdens de financiële crisis in als koek, niet alleen in Europa, zelfs in de VS.