Schuimige zee bij Concertgebouworkest en Nelsons

Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Andris Nelsons. 4/10 Concertgebouw A’dam. Herh.: 5 en 7/ 10 aldaar.

Van de aanstormende dirigenten is Andris Nelsons bij het Koninklijk Concertgebouworkest de meest geziene. Nelsons, protegé van chef-dirigent Jansons maar eigenlijk al te gearriveerd om nog zo’n epitheton te dragen, leidt deze week een voor de B-serie heftig programma rondom de zee; naast La mer van Debussy en de Four Sea Interludes (uit Peter Grimes) van Benjamin Britten klinkt Mark-Anthony Turnages duistere, jazzy trompetconcert From the wreckage en Haydns Trompetconcert in Es.

De zangerige virtuositeit die Haydn ontlokte aan trompettist Hakan Hardenberger, bleek kinderspel bij de vereisten in Turnage. Diens concert, rijk aan kaatsende en bonkende dissonanten en improvisatie in de solopartij, maakte overigens nog het meest indruk door de percussie-effecten. Jammer dat Turnage niet na Britten klonk; beider sferen hadden mooi op elkaar aangesloten.

Dirigent Nelsons raakte door de stilistische breedte van het programma niet van slag; zijn kracht ligt in een ontspannen dirigeren waarbij zijn gebaren een innerlijk klankideaal gracieus illustreren. En Nelsons wil veel horen. In Britten? Kolkende woelingen en een tederheid die nog minder ruwbolsterig mag.

Schuimig is Nelsons vaak; ook La mer bevatte meer branding dan we onder Haitink gewend zijn. Maar Nelsons weet hoe hij orkestgroepen optimaal kan laten gloeien en bloeien. Dat maakt hem goed én geliefd.