Opinie

Ik mis de schaduwen over de velden

In Goudswaard, tussen Hellevoetsluis en Middelharnis, wordt ’s zomers op ganzen gejaagd. Met lieslaarzen in de greppel, verscholen tussen het riet. Terwijl het eerste zonlicht langzaam omhoog klautert langs de horizon, doen we onze oordopjes in tegen de harde knallen die de schoten geven. Dikke lagen kleding aan, een petje met gezichtsbeschermer om niet gezien te worden door het overvliegend wild.

Het is zaterdagmorgen, ik ben om 4.00 uur opgestaan en vanuit de Randstad naar de boerderij van Henk Melissant gereden, aan de zuidgrens van Zuid-Holland. Vandaar ben ik met vier jagers in een landrover de dijk van Goudswaard afgehobbeld. Het is nog te donker om te zien, maar achter die dijk ligt het Haringvliet, broedgebied van de ganzen. Bij zonsopgang vliegen ze de dijk over op zoek naar eten. Dat is het moment om toe te slaan – dus we houden ons stil en turen langs de lucht.

Een keer meegaan op jacht is onderdeel van een zoektocht die ik onderneem naar een actievere, levende verhouding met de natuur. In de stad, omringd door stenen, heb ik nooit grond onder de voeten. Ik mis het gevoel bij de seizoenen, het beleefde jaarritme; de oogstmaand en de schaduwen over de velden; en ook mis ik het levende wezen achter het verpakte stukje vlees in de schappen van de supermarkt. Ik wil het dier meemaken voordat het op mijn bord ligt.

In Der Untergang des Abendlandes schrijft de Duitse geschiedfilosoof en cultuurhistoricus Oswald Spengler dat „boerderij en huizenblok zich tot elkaar verhouden als ziel en intelligentie, als bloed en steen”. Hij vervolgt: „Wie vanaf een toren neerziet op de huizenzee van de stad, herkent in deze steengeworden geschiedenis hoe het organische bestaan eindigt en een anorganische, mateloze, alle horizonten overschrijdende opeenstapeling begint.” Bij hem staat de stad voor voortdurende prikkels en behoeftebevrediging – een toestand waaraan we verslaafd zijn geraakt. Maar het leven verliest ook haar fundament: „Alle kunst, alle religie en wetenschap wordt langzaam vergeestelijkt, vreemd aan het land. De oeroude wortels van het bestaan zijn verdord in de steenmassa’s van de stad.”

Voor je het weet, val je in slaap als je zo vroeg opstaat. Ik schrik uit mijn dagdroom als mijn gids Jan Luijendijk me wijst op een formatie ganzen die onze kant uit vliegt. Hij maant de drie andere schutters om dieper het riet in te duiken. Met een lokfluitje probeert hij de ganzen naar ons toe te halen. Het lukt. De dieren komen binnen schootsbereik. Een knal. En nog één. En nog één. Twee ganzen ploffen neer op het veld. De honden gaan eropaf om de levenloze dieren te apporteren. Een derde gans is geraakt, maar nog niet dood. Als de hond het stuiptrekkende beest onze kant op brengt, draait Luijendijk het de nek om.

Een uur verstrijkt, waarin we verschillende zwermen ganzen weten te lokken en te schieten. Langzaam wordt het licht, en hoewel we onze best doen dekking te houden, lijken de ganzen ons steeds meer te mijden. Het wordt tijd om op te breken. De fourwheeldrive wordt gehaald, we leggen de ganzen achterin. Ik pak er twee, drie bij de kop, en voel de gebroken nekwervels knakken onder het gewicht van het lijfje dat eronder bungelt.

Volgens de Britse sciencefictionschrijver, uitvinder en futuroloog Arthur C. Clarke is de mens sinds de uitvinding van de helikopter begonnen het stedentijdperk te ontgroeien. Steden zullen worden verlaten en leeg achterblijven, voorspelt hij, zoals ooit ook de holen en grotten. De miljoenenstad: het Lascaux van de toekomst. Door de opkomst van internet wordt die ontwikkeling volgens hem nog versneld. Een laptop, aansluiting op het web en een bureau – meer heb je niet nodig om overal ter wereld te kunnen werken. Hoe aannemelijk is het dat hij gelijk krijgt? Zie ik mezelf op termijn in de boerderij die we met de landrover op de weg terug passeren? Ik verlang naar buiten – maar toch, zoals Spengler zegt: de prikkels van de stad zijn verslavend.

Bij terugkomst in de jachthut maken we tableau. We schoten in totaal 34 ganzen, en die worden uitgestald in rijen van tien: de grauwe ganzen, die groter zijn, eerst, en daarna de kleinere brandganzen. Mijn gids laat me twee prooien uitzoeken en legt die op een tafel op het erf. Hij knipt zijn mes open en snijdt diep door de borst van de net geschoten beesten. Het warme vlees dampt in de ochtenddauw. De borst en de bouten haalt hij los, het dons valt weer dicht over het achterblijvend karkas. Ik neem het vlees mee in een zak op de achterbank terwijl ik de borden volg richting snelweg: Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Amsterdam.

Thierry Baudet is jurist, historicus en schrijver.