Bang om blind te worden? Hoort erbij

Oud-wereldkampioen Remy Bonjasky (36) maakt morgen zijn rentree in de ring. „Ik hou te veel van mijn sport.”

Remy Bonjasky in zijn boksschool in Almere: „Hier ga ik dagelijks door een hel. Training na training, dag na dag.”
Remy Bonjasky in zijn boksschool in Almere: „Hier ga ik dagelijks door een hel. Training na training, dag na dag.” Foto Rien Zilvold

Alsof hij net uit een sauna komt. Remy Bonjasky zweet over zijn hele lichaam. Zijn armen, benen, gezicht – overal parelen zweetdruppels over zijn bijna twee meter lange lijf. Afgepeigerd zit hij op de blauwe mat van zijn boksschool in Almere. Eenzaam en alleen. Zelfs de muziek is al uitgezet.

„Hier ga ik dagelijks door een hel. Training na training, dag na dag”, zegt hij even later in zijn werkkamer. „Die hel eindigt pas na het klinken van de laatste bel in de wedstrijd. Dan is het klaar. Dan is mijn voorbereiding voorbij.”

Morgenavond, tweeënhalf jaar na zijn laatste wedstrijd, maakt kickbokser Remy Bonjasky (36) zijn comeback in de ring. De drievoudig wereldkampioen neemt het in Brussel op tegen de Braziliaan Anderson Silva, een sterke, opkomend bokstalent.

De imposante Bonjasky, 110 kilo zwaar en 1,92 meter lang, begint meteen te lachen als de knipselmap ter tafel komt. Hij voelt hem al aankomen. „Als ik stop, hangen er niet na een jaar alweer posters met mijn kop erop. Als ik wegga, is het voorgoed”, zei hij twee jaar geleden in de Volkskrant.

Wat heeft hem van gedachten doen veranderen? „Tja”, zegt Bonjavsky terwijl hij een crème uitsmeert over zijn gezicht. „Op die uitspraak moet ik toch terugkomen.” In 2009, na de verloren finale van het K1 toernooi in Japan – waar vechtsporters uit alle disciplines tegen elkaar in actie komen – tegen landgenoot Sem Schilt, leek een afscheid niet meer dan logisch voor Bonjasky.

De Surinamer moest voor de vierde keer geopereerd worden aan zijn rechteroog, omdat zijn netvlies door de harde klappen op zijn hoofd weer losliet. Zijn rechteroog functioneerde nog maar voor 75 procent. Zijn behandelend oogarts in het AMC waarschuwde Bonjasky. Hij zou wel eens blind kunnen worden aan zijn rechteroog.

Bonjasky legt zijn handen op tafel. Hij gebruikt als metafoor de passie van een alpinist. „Er zijn bergbeklimmers die een hoge top willen beklimmen en dan nooit meer terugkomen. Dat is het risico. Begrijp me goed, het is het mij niet waard blind te worden, maar wel om dat risico te lopen. Daarvoor houd ik te veel van mijn sport.”

Zijn gevoel vertelde hem dat hij moest terugkeren in de ring. Remy Bonjasky was nog niet klaar, vond hij zelf. „Ik had afscheid genomen met een nederlaag. Van mijn sport! Zo wilde ik mijn carrière niet afsluiten. Dat beeld speelde constant in mijn hoofd. Verder geef ik hier in Almere elke dag training aan talentvolle jongens. Als ik ze de ring instuur en zie dat het goed gaat, begint het bij mij ook weer te kriebelen.”

Verder, en dat klinkt misschien wat idealistisch, wil Bonjasky meehelpen om het imago van zijn sport te verbeteren. Want de aanhoudende publiciteit over Badr Hari, de kickbokser die nog in voorlopige hechtenis zit en verdachte is in twee mishandelingszaken, heeft Bonjaski’s vechtsport nog meer in verband gebracht met zinloos geweld en criminaliteit.

„Dat doet pijn”, reageert Bonjasky. „Omdat ik weet hoe mooi deze sport is. Het is loodzwaar, uitdagend. Ik ben afgelopen zomer echt plat gebeld door allerlei bladen en tv-programma’s. Telkens was de vraag: mogen wij jou interviewen over Badr Hari? Vond ik vervelend. Vooral ook omdat ik merkte dat negativiteit scoort. Toen ik de K1-titel won, belde er niemand.”

Badr Hari. Zelf heeft Bonjasky ook te maken gehad met het ongeleide projectiel dat schuilgaat in deze collega-bokser. Tijdens de K1-finale van 2009 trapte de later in opspraak geraakte Hari hard door toen Bonjasky op de grond lag en de scheidsrechter de partij al had onderbroken. „Iedereen kent die beelden”, zegt Bonjasky. Dan, met gevoel voor understatement: „Een kop koffie met hem drinken, dat gaat het niet worden.”

Bonjasky is geboren in de Surinaamse hoofdstad Paramaribo, maar groeide in de Amsterdamse Bijlmermeer op. Gemakkelijk was zijn jeugd niet. Zijn ouders gingen scheiden toen hij elf jaar oud was. Hij woonde bij zijn moeder, die van een uitkering liefst vier kinderen moest onderhouden. Soms stonden deurwaarders op de stoep, soms was er niets te eten en met Kerst lagen er geen cadeautjes onder de boom. Sterker nog: er was niet eens een kerstboom, zegt de kickbokser.

Bonjasky heeft als droom ooit een boksacademie te beginnen in de Bijlmer, zodat het bokstalent daar niet verloren gaat. Jongeren kunnen door hun sportbeoefening betere tijden tegemoetzien. Maar voor Bonjasky is het boksen nooit een vlucht geweest. „Weet je, als jij nu een spel kaarten uit je zak haalt, staat bij mij het zweet al in m’n handen. Ik moet en zal winnen. Dat zit er al vanaf kinds af aan in.”

Zijn ogen beginnen te glunderen. Morgen in Brussel zal de kickbokser opnieuw proberen te te winnen. Dit keer tegen de Braziliaan Anderson Silva. Maar of hij er klaar voor is? Bonjasky twijfelt even met antwoorden – een hamstringblessure hield hem twee weken aan de kant tijdens de voorbereiding. „Maar met mijn ervaring, techniek en mentale kracht ben ik sterk genoeg om de klus te klaren”, zegt hij.