Abu Jneid voor zijn oog naar Israël

In Israëlische ziekenhuizen worden veel Palestijnen behandeld. Abu Jneid is een van hen. Negen uur is hij onderweg voor een afspraak.

Abu Jneid.
Abu Jneid. Foto Leonie van Nierop

Saleem Abu Jneid (75) oogt als een verdwaald vogeltje, ineengedoken in een fauteuil op de afdeling oogheelkunde van het Ichilov-ziekenhuis in Tel Aviv. Hij draagt een bril met getinte glazen, een lichtblauwe ziekenhuispyjama en een handdoek in zijn nek tegen de kille airconditioning.

Hij is een van de ruim honderdduizend Palestijnse patiënten uit de Westelijke Jordaanoever en Gaza die elk jaar in Israëlische ziekenhuizen worden behandeld. „Dat horen jullie niet van sprekers op dit podium,” zei de Israëlische premier Benjamin Netanyahu vorige week voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York, „maar dat is de waarheid”.

Toch is Abu Jneid Israël niet per se dankbaar voor zijn behandeling, zegt hij. De Palestijnse autoriteiten betalen er immers voor – een waarheid die Netanyahu verzuimde te vermelden. Bovendien wijt Abu Jneid zijn oogproblemen aan zijn vlucht voor de joodse paramilitairen in 1948.

Maar Abu Jneid vindt het niet vervelend, in het ziekenhuis in Tel Aviv. Het eten smaakt hem goed, vooral de appelmoes, hij mag zoveel hij wil. En, belangrijker: zijn dokter is heel goede, zegt Abu Jneid. Het is er een die echt zijn best voor hem doet. Snel donorhoornvliezen regelt, gratis oogdruppels meegeeft. Aardig bovendien. Abu Jneid is altijd blij als hij behandeld wordt.

Jammer dat de behandelingen niet aanslaan. Abu Jneid zag al niks meer met zijn linkeroog, dat is onlangs verwijderd, en ziet nog maar 30 procent met het rechter.

Zijn eerste operatie kreeg hij in 1956 in Libanon. Sinds Israël in de oorlog van 1967 de Westelijke Jordaanoever bezette, is Abu Jneid onder behandeling in Jordanië en Israël. De laatste jaren moet hij naar Tel Aviv, waar de meeste hoornvliesdonoren zijn. Daar mislukte dit jaar voor de zesde keer een hoornvliestransplantatie.

Ook vervelend is de reis naar Tel Aviv.

Abu Jneid moet eerst liften van zijn huis in vluchtelingenkamp Balata, in het noorden van de Westelijke Jordaanoever, naar het busstation in Nablus. Daar neemt hij een busje naar de controlepost Qalqiliya, waar hij lopend langs de Israëlische grensbewaking moet. Volgt een lift naar Petach Tikwa en nog een bus naar Tel Aviv. Waar hij weer een eind moet lopen. Het leger weigert zijn kinderen permissie om hem naar het ziekenhuis te begeleiden.

Voor een afspraak in het ziekenhuis om 13.00 uur, moet Abu Jneid om 04.00 uur van huis. Anders zijn de busjes die Palestijnse arbeiders in alle vroegte naar Israël brengen al verdwenen en is Abu Jneid aangewezen op een Israëlische taxi, van omgerekend 60 euro. Die kan hij niet betalen. Zijn uitkering van de Palestijnse autoriteiten bedraagt 50 euro per maand. Dus doet Abu Jneid negen uur over een route die voor Israëliërs in een uur te rijden is.

Bijkomend probleem is het contact met het ziekenhuis. Als hij belt om een afspraak te maken, vraagt het ziekenhuis hem om bewijs dat hij toestemming heeft van de Israëlische autoriteiten om Israël binnen te komen voor behandeling. Maar om Israël die vergunning te vragen, moet Abu Jneid eerst laten zien dat hij een afspraak heeft. Gelukkig heeft hij enkele contacten in Israël, die soms bemiddelen.

Abu Jneid doet die contacten op in het ziekenhuis. Israëlische kamergenoten vragen hem altijd waar hij vandaan komt. Jaffa, zegt hij dan. „Daar ben ik geboren, daar is mijn vader begraven.” Jaffa ligt amper 5 kilometer van het Ichilov-ziekenhuis in Tel Aviv.

Abu Jneid vraagt andere zieken op zijn beurt hoe het toch kan dat Israël alle joden ter wereld, al zetten ze nooit voet in Israël, de kans biedt zich in Jaffa te vestigen en hij, nota bene in Jaffa geboren, niet in zijn ouderlijk huis mag wonen.

Hij vraagt waarom de Palestijnen gestraft moesten worden voor de Holocaust, waar ze toch niets mee te maken hadden.

Hij krijgt nooit antwoord.

Dan begint hij te vertellen. Waar nu de dierentuin van Tel Aviv is, lagen zijn vaders sinaasappelvelden, wel 20 hectaren groot. Zijn vader stierf in 1945 als een rijk man. Na de stichting van de staat Israël, in 1948, vluchtte Abu Jneids moeder met de kinderen voor Israëlisch geweld tegen de Palestijnse bevolking.

Weken leefde Abu Jneid – toen tien jaar oud – buiten in de heuvels van de Westelijke Jordaanoever. Daar kreeg hij een ontsteking van zijn slijmvliezen in zijn ogen. Door geldgebrek en de barre omstandigheden in de vluchtelingenkampen waarin hij werd opgenomen, bleef de ziekte dertig jaar in zijn ogen. Zijn hoornvliezen raakten zwaar beschadigd.

Abu Jneid is doodsbang dat hij blind wordt. Dan moet bij thuis blijven. Nu krijgt hij elke dag een lift naar het centrum van Nablus, waar hij bij een zoon van een vriend achterin een stomerij zit. Om praatjes te maken.

Hij wacht nog steeds op de dag dat hij naar huis kan. Naar Jaffa, bedoelt hij.

Liever woont hij daar, in Israël, dan in een beoogde Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever. Hij heeft niets tegen joden, zegt hij. „Behalve tegen de joden die ons uit mijn huis hebben gejaagd.”

Vanwege zijn ziekte, en de bijbehorende visa, heeft hij de kans gehad nog enkele malen naar zijn ouderlijk huis te kijken. Hij weet het adres niet, maar hij kent de route en herkent het huis – zolang zijn ene, troebele oog nog ziet.