Herman Koch: ‘Knausgård bezweert het leven in details’

Herman Koch/ Foto Rien Zilvold

Wekelijks verklaart een sporter, schrijver, politicus of tv-persoonlijkheid in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad de liefde aan een boek. Deze week, in de rubriek Boekdelen, schrijver Herman Koch over de romancyclus ‘Mijn strijd’ van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård.

Mijn strijd is een cyclus van zes autobiografische boeken van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård, nog niet zo lang geleden verschenen. Het is een drieduizend pagina’s tellende reproductie van het leven zelf.

„Als je zelf schrijft ben je altijd gefascineerd door schrijvers die snel schrijven. Vaak is het stilistisch minder, maar het is wel intuïtief, ongepolijst en minder gekunsteld. Als ik op gang ben schrijf ik zinnen waarop ik niet was gekomen als ik erover had nagedacht. Een goede tekenaar kan ook in één keer een lijn zetten die meteen goed is. Er ontstaat een eenheid tussen denken en doen.

„De cyclus begint met een filosofie over het onbehagen van dode lichamen. We verstoppen de lijken, terwijl het eigenlijk niet zo erg is als een lichaam een dag langer op straat zou blijven liggen – nog een keer dood gaan kan het niet. Dode lichamen bewaren we altijd dicht bij de grond; een uitvaartcentrum zit nooit hoog in een flatgebouw. Dit is wat schrijven moet doen: nieuwe gedachten, verse inzichten. Ook beschrijft Knausgård scènes die heel gewoon zijn, en die maar doorgaan. Elk detail wordt vermeld. Zoals een feestje – hij is 15 of 16 – dat niet van de grond komt. Je staat in de hoek, je drinkt wat, er zijn geen leuke mensen – daar gaat hij bladzijdenlang over door.

„In het eerste boek, Vader, vertelt hij over zijn jeugd en zijn vader, met wie hij een moeizame relatie heeft. Later, als zijn vader dood is, gaat hij naar het huis waar hij gestorven is. Daar is het één grote, smerige troep – stront, kots, alles. Dat beschrijft Knausgård heel gedetailleerd en vervolgens gaat hij honderd pagina’s door met het schoonmaken van dat huis – tot aan welke Jif hij gebruikt.

„Door nietszeggende details te herinneren, herinner je ook de veelzeggende details. Soms is Mijn strijd meer typen dan schrijven, zoals Capote al zei over Kerouac. Elk kopje thee dat gezet wordt, elk theezakje wordt beschreven. Hij bezweert het leven in de details. Over Dostojevski zegt hij ergens: dat is geen schrijver van wie je één zin zult onthouden, alleen het grotere gehele blijft bij. Daar heeft hij het natuurlijk over zichzelf.

„De boeken zijn knap gestructureerd. Zo vertelt hij eerst bladzijdenlang wat een gedoe een gezin met kinderen is – ruzies, een mislukt bezoek aan een pretpark, de kinderen die hem van het schrijven houden. Dit lees je eerst en dán pas gaat hij langzamerhand toe naar hoe hij zijn vrouw ontmoette en hoe verliefd zij waren. Je leest over die idyllische liefde en uiteindelijk hoor je hem zeggen: ‘We moeten kinderen krijgen.’ Hilarisch.

„In het tweede boek, Liefde, beschrijft Knausgård hoe hij zijn vrouw ontmoet op een schrijverskamp. Hij is gefascineerd door haar en wanneer hij dronken is verklaart hij haar de liefde. Zij wijst hem af, waarop Knausgård teruggaat naar zijn kamer en een glas kapot gooit.

„Nu volgt een spoiler. Hij schrijft: ik pakte de grootste scherf en begon in mijn gezicht te snijden. Dat is een scène die je liever niet leest. Het bijzondere is dat hij er net zo sec over schrijft als over de theezakjes en de Jif. Alles gaat gewoon op dezelfde manier door: na het drinken en het eten en het naar de wc gaan sneed ik mijzelf in het gezicht. Hij legt het ook niet uit, het is gewoon een daad. Daarom is het niet pathetisch. Knausgård wil eerlijk zijn tegenover zichzelf – het gaat erom het moment van schaamte op te zoeken en daar doorheen te gaan.”

Toine Donk